Selecteer een pagina

Imponderabilia

Je hebt van die woorden die echt iets toevoegen aan een verhaal. Het woord ‘muil’ vond ik als kind bijvoorbeeld een essentieel onderdeel van het sprookje Roodkapje. De ‘bek’ van de wolf zou het hele verhaal stukken minder spannend en verontrustend maken. Laat staan z’n ‘snuit’; dat is iets voor een schattig dier, niet voor een bloeddorstige mensenverslinder.

Het kan ook dat een woord zo briljant is, dat het verhaal er eigenlijk niet meer toe doet. De context waarin ik het woord ‘imponderabilia’ heb leren kennen, is op zich niet geweldig interessant: een vriend uit mijn studententijd vertelde me eens dat hij extra moest gaan bijlenen bij DUO, omdat zijn vader het collegegeld niet meer wilde betalen. De onderbouwing voor deze onsympathieke beslissing? ‘Jongen,’ had de vader gezegd, ‘ik heb de indruk dat jij de nodige imponderabilia mist om deze studie tot een goed einde te brengen.’ Wat een opgeblazen figuur. En wat een flauwe manier om je zoon onderuit te halen, met zulke kritiek waar niemand wat mee kan. Maar wát een schitterend woord!

Natuurlijk moesten we opzoeken wat het betekende. Imponderabilia zijn onweegbare zaken; alles wat je niet kunt meten of wegen, maar wat toch meetelt. Het komt uit het Latijn: ponderare is wegen. Het is een woord waar je heerlijk over kunt mijmeren, waar je indruk mee kunt maken op andere woordenliefhebbers, of waar je, zoals die vader, een rookgordijn mee kunt optrekken. Je kunt er trouwens ook een performance over maken. Dat deden kunstenaars Marina Abramovic en Ulay in 1977. Ik mijmer nog even verder.

Share on FacebookTweet about this on TwitterPin on PinterestShare on LinkedInShare on TumblrShare on Google+Email this to someone

Woord van de dag: gebbetje

Een van mijn lievelingswoorden zou ik vandaag graag met jullie delen: gebbetje. Niet omdat ik nou zo’n bijzonder geestige aard heb, maar ik heb wél een zwak voor de volkstaal. Als getogen Maastrichtenaar kon ik mijn lol wel op (van ‘reijstartele’ tot ‘speijtuut’), maar nu heb ik al zo’n tien jaar mijn hart verpand aan ’t Amsterdamse, ook niet verkeerd.

Gebbetje is het Amsterdamse woord voor grapje. Volgens ons aller geliefde etymologiebank is het afgeleid van het werkwoord gabben, dat ‘gekheid maken’ betekent, gabben is vervolgens weer afgeleid van ‘gabberen’, waarmee ‘babbelen, wauwelen en spottend lachen’ wordt bedoeld.

Het enige jammere aan dit woord is, vind ik, dat ik het bijna nooit meer hoor. Ik wil daarom bij dezen alle lezers van deze post oproepen het woord mínstens één keer per dag te gebruiken – al dan niet vergezeld van een grapje.

Share on FacebookTweet about this on TwitterPin on PinterestShare on LinkedInShare on TumblrShare on Google+Email this to someone

Woord van de dag: akkefietje

Een paniekerig telefoontje van een student: ‘Mevrouw, welke opdrachten moeten er morgen worden ingeleverd?’ De student in kwestie had er twee af, maar hoorde nu van een klasgenoot dat er een derde opdracht was. Met een deadline om tien uur de volgende ochtend zou dat nog een stevige klus worden. De student betoogde dat hij niets wist van die opdracht en dat hij er dus niets aan kon doen dat het niet af was (drie ontkenningen in een draak van een redenering, bah. Maar dat terzijde).  

Mijn weerwoord luidde simpelweg: het staat in de modulehandleiding die je aan het begin van het semester hebt gekregen en had moeten lezen. Een klassiek gevalletje RTFM. De student protesteerde, werd boos en gooide er tot slot een smekend ‘ja maar’ plus flut-excuus tegenaan. Ik hield voet bij stuk en wees hem fijntjes op de mogelijkheid deze opdracht te herkansen. Over drie maanden. Einde van dit akkefietje.

Maar niet voor de student. Hij had nog 22 uur om deze onaangename opdracht te klaren. Akkefietje betekent namelijk ‘vervelend klusje’, maar het wordt vaker gebruikt in de zin van ‘voorval, ruzietje’. Aan ruzie heb ik een broertje dood, maar andere akkefietjes, kom, daar zet je ferm de schouders onder en voer je zonder morren uit. Als het klaar is drink je er een stevige borrel op, een aquavit bijvoorbeeld.

Daarmee komen we op de (vermeende) herkomst van het woord: via het Latijn (aqua vītae) en/of Scandinavisch (akvavit) zou ‘akkefietje’ in het Fries terecht zijn gekomen als ‘akkefyt’, ‘akkefytsje’ en vervolgens zijn vervormd tot het tegenwoordige ‘akkefietje’. Mijn soort volk, die Friezen. Zonder ruziën een rotklus klaren en dan samen het glas heffen op de goede afloop.

Share on FacebookTweet about this on TwitterPin on PinterestShare on LinkedInShare on TumblrShare on Google+Email this to someone

Woord van de dag: huppeldepup

‘God zeg, hoe heet -ie ook alweer’
‘Het ligt op ’t puntje van mijn tong’
‘Ja, ehh dinges, huppeldepup’

Collega S hoorde twee vrouwen met elkaar praten. Hij vroeg in de docentenkamer wie het woord ‘huppeldepup’ wel eens gebruikte. ‘Dat is niet echt mijn stijl’, zei collega F, smalend. Een ander, collega J, gebruikte het juist frequent.

Een synoniem voor huppeldepup is  ‘dinges’ of ‘hoe-heet-het’ en je kunt het gebruiken als je niet op een naam kunt komen. De oorsprong van het woord is lastig te vinden in de krochten van het wereldwijde web. Wel is ‘huppeldepuppel’ opgenomen in Hugo Brandt Corstius’ Opperlande taal- & letterkunde, waarin lijvig wordt verteld over een Leidse geschiedenisprofessor die ooit het spelletje ‘aars-baars’ bedacht en vervolgens verschijnt een opsomming van meerdere ‘inwendig rijmende woorden’ waaronder, maar natuurlijk, ‘huppeldepuppel’. Leest u het gehele verhaal gerust hier nog eens na.

Ik ken Huppeldepup als de aap uit Roald Dahl’s klassiekers De Reuzenkrokodil en De Griezels, maar het blijkt ook een alleraardigste schoenenwinkel voor dames en kinderen te zijn, een kinderdagverblijf in Leeuwarden en een puppyschool in Buinerveen, of all places.

Of wellicht leuk om een keer met ehh huppeldepup naar Huppel The Pub te gaan?

Share on FacebookTweet about this on TwitterPin on PinterestShare on LinkedInShare on TumblrShare on Google+Email this to someone

Woord van de dag: alumni

Alumni zijn afgestudeerde, oud-studenten van een universiteit of hogeschool. Het woord komt uit het Latijn en kent een mannelijke – alumnus – en een vrouwelijke – alumna – variant.

Gisteravond werd er op onze opleiding druk geborreld en genetwerkt. Niet nadat de aanwezigen – allen oud-studenten – geïnspireerd waren door twee young professionals. De één sprak over ‘the road to success’, een persoonlijke zoektocht, en het boek dat ze schreef (Babe, you got this). De ander boeide met een verhaal over de kracht en toekomst van influencermarketing. Iedereen enthousiast. Enige minpunt: er waren minder mensen komen opdagen dan ik had verwacht. Zou het liggen aan de uitnodiging? Daarop kondigden we een ‘alumni-event’ aan. Nu blijkt uit een intern onderzoek dat de alumni zelf niet weten dat ze alumni zijn… Gemiste kans dus, die ik met deze post hoop goed te maken: beste afgestudeerden, het volgende alumni-event is op 20 februari 2018.

 

Share on FacebookTweet about this on TwitterPin on PinterestShare on LinkedInShare on TumblrShare on Google+Email this to someone

Woord van de dag: antimakassartje

Collega Rob plaatste deze week op Facebook een sepiakleurige foto van zichzelf, lezend in een oude omroepgids en gezeten voor een ouderwets tv-toestel. De piepjonge Rudi Carrell op het scherm versterkt de suggestie dat het hier gaat om een kiekje uit de late jaren vijftig of vroege jaren zestig. Over de rugleuning van de gestoffeerde oorfauteuil waarop Rob zit, ligt een gehaakt doekje dat opvallend wit afsteekt tegen de rest van de foto: een antimakassartje.

Het Nederlandse antimakassartje is afgeleid van het Engelse antimacassar. Dat woord is gevormd uit het voorvoegsel anti-, dat ‘tegen’ betekent, en de naam Macassar. Die naam verwijst naar een in de negentiende en begin twintigste eeuw door mannen gebruikte haarolie. Deze makassarolie werd geproduceerd in de gelijknamige Indonesische havenstad. Een antimakassartje is in feite een soort antivetkuifkleedje: een lapje stof dat de rugleuning van fauteuils, sofa’s en canapés beschermt tegen vlekken veroorzaakt door de haarolie.

Oudere lezers herinneren zich misschien nog de aflevering van het Groot Dictee der Nederlandse Taal uit 1997, met als juryvoorzitter schrijfster Hella Haasse, waarin het woord antimakassartje voor veel deelnemers een struikelblok bleek te zijn. Het beschermende doekje was in die tijd ook al in onbruik, dus het is niet verwonderlijk dat (bijna) niemand wist wat het was, laat staan hoe het te spellen. De volledige dicteetekst, getiteld De Boekenwurm, lees je hier.

 

Share on FacebookTweet about this on TwitterPin on PinterestShare on LinkedInShare on TumblrShare on Google+Email this to someone

Woord van de dag: kwinkslag

Al zolang als ik me kan herinneren, ontbijt ik met een boterham met hagelslag. Altijd puur, bij voorkeur van Venz. Sommige gewoontes moet je niet veranderen. De hele acai-bessen/tarwegras/superfoods-ontbijttrend heb ik gewoon laten passeren.

Vorige week pakte ik per ongeluk de verkeerde hagelslag uit het supermarktschap. Ik zag het pas toen ik het pak kwinkslag thuis uit de boodschappentas haalde. Bah, aanstel-hagel.

 

Een kwinkslag is een geestig gezegde, een grapje. Het woord komt al sinds de vijftiende eeuw voor in het Nederlands en stamt vermoedelijk af van het woord quincken dat ‘zich snel bewegen, flikkeren, schitteren, kwinkeleren’ betekent.

Zouden ze bij Venz vanillehagelslag zelf ook een grap vinden?

 

 

Share on FacebookTweet about this on TwitterPin on PinterestShare on LinkedInShare on TumblrShare on Google+Email this to someone

Wolvenplan

Ik ben gek op Nederland. Nee, het weer is inderdaad slecht, maar verder hebben we het hier toch maar mooi voor elkaar.  Ik zou zo gauw niets kunnen bedenken wat we níet geregeld hebben. Gisteren werd er een nieuw plan toegevoegd aan onze lange lijst regels, verordeningen en protocollen: het wolvenplan.

Het is herfstvakantie en er is een Duitse wolf op vakantie op de Veluwe. Begrijpelijk; het ís ook heel mooi daar. De provincie Gelderland heeft ogenblikkelijk het landelijk wolvenplan uitgerold. Kennelijk lag dat al klaar sinds het bezoek van de vorige Duitse wolf.

Wat een beresterk woord, dat wolvenplan. Het klinkt eigenlijk meer als een heel groots en meeslepend plan. ‘Jongens, ik heb echt een wolvenplan voor een epische start-up.’

 

 

Share on FacebookTweet about this on TwitterPin on PinterestShare on LinkedInShare on TumblrShare on Google+Email this to someone

Uitdrukking van de dag: over de balk smijten

De kans dat hij het wordt is klein, maar collega Marcel zou een prima minister van financiën zijn. Marcel weet alles van financieel management. Maar misschien nog belangrijker: hij heeft er een hekel aan als er geld over de balk wordt gesmeten.

Een docent die een leuk project aan het opzetten is, kan van Marcel steevast de vraag verwachten: wat kost dat dan wel niet? Terecht natuurlijk, deze vraag. Onderwijs wordt met publieke middelen gefinancierd, dus het is zaak dat we op de kleintjes blijven letten.

De uitdrukking ‘geld over de balk smijten’ (of gooien) komt waarschijnlijk uit het boerenbedrijf. Er zijn oudere varianten waarin het niet over geld maar over hooi gaat. De balk bevindt zich in een stal waar het vee stond. Wie bij het voederen het hooi nonchalant de stal ingooide, liep het risico dat het hooi op een balk bleef liggen en dus werd verspild.

Er circuleert ook nog een andere verklaring voor de herkomst van de uitdrukking. Koopmannen in koren of meel gebruikten bij de verkoop een zogeheten maat, een soort vat waarin zij de juiste hoeveelheid van hun koopwaar konden afmeten. Dwars over deze maat zat een balkje. De koopman die de maat te vol stortte en zijn waar dus boven/over de balk gooide, gaf meer dan hij verplicht was en verspilde dus zijn waren.

 

Share on FacebookTweet about this on TwitterPin on PinterestShare on LinkedInShare on TumblrShare on Google+Email this to someone