Selecteer een pagina

Woordenschat: Het placht van Boudewijn

“En de leraar die mij altijd placht te dreigen
‘Jongen, jij komt nog op het verkeerde pad’
Kan tevreden zijn en hoeft niets meer te krijgen
Dat wil zeggen: hij heeft toch gelijk gehad.”

— Testament, Nijgh/De Groot 1967

Deze regels zingt Boudewijn de Groot in zijn lied ‘Testament’. Altijd als ik ze hoor, denk ik: ‘De leraar die mij ‘placht’… wát?’ Uit de context snap ik wat het betekent, maar wat een vreemd woord; vreemd en ’n beetje ouderwets, in dezelfde categorie als ‘hij toog’ (in de betekenis: hij ging ergens heen). Op de site van Onze Taal lees ik dat het de verleden tijd van ‘plegen’ is. Maar dan alléén in de betekenis van ‘gewend zijn’, niet als het gaat om bijvoorbeeld een misdaad plegen.

Dit soort taalgebruik past goed bij Boudewijn de Groot, die met zijn messcherpe dictie en poëtische, gelaagde teksten (veelal geschreven door Lennaert Nijgh) zo’n beetje de leraar Nederlands van de muziek is. Als hij het zingt, klinkt het dan ook heel natuurlijk. Toch zal ik zelf niet snel ‘placht’ gebruiken in een mailtje naar collega’s of een snaaks gesprekje. Daarom deze blogpost: laten wij ‘placht’ koesteren!

 

 

 

 

Woord van de dag: ringeloren

Het fijnst aan vakanties: dagenlang boeken lezen. Van Karin Slaughter (met zo’n naam moét je toch thrillerschrijver worden??) tot Michel Houellebecq: ik heb me kostelijk vermaakt.

Althans, dat vind ik. Vriendin N noemt lezen ‘geen activiteit’ en is het liefst de hele dag met een bal in de weer. Smaken verschillen, zullen we maar zeggen.

Ik las ook de jongste roman van Charlotte Mutsaers: Harnas van Hansaplast, een tip van collega M. Als je van taal houdt, houd je ook van dit boek. Het staat vol zoveel prachtige (en vaak vergeten) woorden dat ik er een jaar lang blogs mee zou kunnen vullen.

Een van die woorden is ‘ringeloren’, en verwijst naar een passage over de boekenkist waarin Hugo de Groot is ontsnapt uit Slot Loevesteijn. Dit gebeurde in 1621, maar de kist stond lange tijd in het ouderlijk huis van de schrijfster, beweert Mutsaers.

Talloze musea aasden, uiteraard, op dit pronkstuk, maar ‘mijn vader was op die kist gesteld en geen type om zich door wie dan ook te laten ringeloren’, aldus de schrijfster. Ringeloren betekent bedwingen of kort houden en dit is waarschijnlijk ontstaan uit ‘een ring aanbrengen door de snuit van een dier, om dit in toom te houden’.

De volgende zin uit het boek luidt trouwens: ‘Ten langen leste heeft het museum maar niet langer aangedrongen’. Wilt u nu niet heel graag doorlezen?

 

Uitdrukking van de dag: Nieuwsgierig Aagje

Tijdens het nakijken van een opdracht voor het vak Tekstschrijven stuitte ik op een spelfout (‘nieuwschierig’) die me op de uitdrukking ‘nieuwsgierig Aagje’ bracht. Zelf nieuwsgierig geworden zocht ik de herkomst ervan op. Blijkt me daar toch een heel (zielig) verhaal achter te zitten. Avontuur! Hoererij! Diefstal! Slutshaming!

Het nieuwsgierig Aagje van Enkhuizen komt als personage voor het eerst voor in het 17e eeuwse kluchtboek De Gaven van de milde St. Marten (doorscrollen naar blz 17). Voor wie het ouderwetse taalgebruik een belemmering is, volgt hier een beknopte versie in hedendaags Nederlands.

Het verhaal speelt zich af tijdens het twaalfjarig bestand (1609-1621) in de Tachtigjarige Oorlog met Spanje. Aagje is een jonge vrouw uit Enkhuizen en getrouwd met een smid. In de buurt woont schipper Freek, die geregeld op Antwerpen vaart. Freek zit vol verhalen en Aagje wil die mooie stad wel eens met eigen ogen aanschouwen. Ze zeurt net zo lang bij haar man (‘lelde de Smit soo langh aen ’t hooft’) tot deze haar belooft dat ze mee mag met de buurman. De smid geeft Aagje honderd gulden, waarmee ze in Antwerpen materialen voor hem moet kopen.

In Antwerpen gaat het natuurlijk helemaal mis. Eenmaal aangemeerd aan de kaai gaat schipper Freek eerst zijn zaken regelen en belooft daarna Aagje rond te leiden door de stad. Het nieuwsgierige wicht kan haar ongeduld echter niet bedwingen en trekt er alleen op uit, in haar beste Enkhuizer goed en met de honderd gulden op zak. Het duurt niet lang of ze wordt aangesproken door een gladde Spaanse Brabander, die haar begroet met ‘nichteken’, de benaming voor hoer.

De naïeve Aagje meent echter dat deze sinjeur familie van haar is (ze had haar moeder horen vertellen over neef Ian van Spanje) en gaat in op zijn uitnodiging haar de stad te laten zien. Dan begint de ellende pas goed. Aagje belandt in een bordeel (‘t slimste hoerhuys’), wordt dronken gevoerd, misbruikt en beroofd van de honderd gulden, haar zilvergoed en mooie Enkhuizer kleren. ‘Neef Ian van Spanje’ gaat er schielijk vandoor en Aagje, nog steeds starnakel en buiten westen, wordt door de hoeren in een ‘bootsgesels kleetje‘ gehesen, krijgt een schippersmutsje opgezet, wordt in een bakermat gelegd en naar buiten gezeuld. Daar is ze het mikpunt van spot van passerende handwerkslieden.

Uiteindelijk ziet de onfortuinlijke Aagje haar buurman Freek langslopen, die haar nauwelijks herkent in die lompen. Eenmaal terug in Enkhuizen wordt het ‘avontuurtje zo veel verduystert als ‘t mogelijck was’, maar in Antwerpen lachen ‘Ian van Spanje’ en zijn confraters nog lang en smakelijk om de lotgevallen van ‘t nieuwsgierige Aagje van Enkhuizen. 

Luister hier naar het oorspronkelijke verhaal (7’30”):

 

Uitdrukking van de dag: voor pampus liggen

Mijn beurt om te bloggen, ik houd het kort, ik lig namelijk voor pampus. Voor het eerst in mijn (bijna 49-jarige) leven ben ik geveld door griep. Voor pampus liggen betekent volgens Onze taal ‘uitgeteld zijn’ – dat ben ik, en/of ‘lui erbij liggen’ – dat doe ik. Pampus was een zandbank in het IJ van Amsterdam waar zwaarbeladen schepen veel last van hadden; ze moesten vaak voor Pampus wachten tot het vloed werd om verder te kunnen varen. Inmiddels is Pampus een heuse attractie geworden, website incluis. ’Geniet van historie, avontuur en natuur, én leuke evenementen!’ staat daar te lezen. Ik moet er nog even niet aan denken.