Selecteer een pagina

Woord van de dag: apekool

Apekool. Ik kwam het woord tegen in een krantenartikel over automobilisten die zonder te betalen de parkeergarage uitrijden, door al bumperklevend achter een voorganger onder de slagboom door te schieten. Dat is strafbaar en gevaarlijk bovendien. Het argument van gepakte bestuurders dat ze het per ongeluk deden, noemt een veiligheidsfunctionaris van Q-Park ‘apekool’.

Apekool (zonder tussen-n!) betekent (klets)koek, nonsens, larie(koek), kolder, dwaze praat. Met apen heeft het niets te maken en met kool evenmin. De herkomst van ‘apekool’ is onzeker. Het zou kunnen afstammen van het Zaanse ‘minderwaardige schelvis’ of van het West-Vlaamse ‘apekalle’, dat ‘slechte vis’ betekent.

Waarschijnlijker is de theorie dat het een samengesteld woord betreft, waarin ‘ape’ een negatieve connotatie heeft, zoals in ‘apelazarus’. Het tweede lid zou afgeleid zijn van het Duitse Kohl, ‘onzin’. Dat woord vindt zijn oorsprong in het Jiddische chaulem of cholem, dat ‘waardeloos spul’ betekent. In het midden van de 18e eeuw komt in dieventaal Kohl machen ‘fantaseren, liegen, iemand iets wijsmaken’ voor. Daarmee is trouwens meteen een link gelegd met de automobilisten in het krantenartikel, want wegrijden uit de parkeergarage zonder te betalen is immers diefstal.

 

Woord van de dag: mistroostig

Vandaag is het begin van de lente, maar het huidige weerbeeld past meer bij de herfst. Grijs, guur en regenachtig. Wat een mistroostige dag.

Mistroost betekende oorspronkelijk ‘het opgeven van de hoop.’ En als je dan bedenkt dat ‘troost’ eigenlijk ‘vertrouwen’ betekent en dat ‘mistroost’ ‘het ontbreken van vertrouwen is’…nou, dan komt het dus nooit meer goed met het weer.

Het KNMI geeft zojuist code geel af, vanwege de verwachte harde windstoten. Om mistroostig van te worden.

Snert

Onlangs  heb ik tien liter erwtensoep gemaakt en grotendeels in porties ingevroren. Genoeg om de hele barre winter mee door te komen. Mijn lieve buren kregen ook een bakje. Ze aten het nog dezelfde dag en bedankten me voor ‘de heerlijke snert.’

Dat klinkt eigenlijk vreemd. ‘Snert’ betekent immers ‘iets heel slechts’ (‘een snertboek, snertfilm’). Waarom zou uitgerekend een smakelijke wintersoep zo’n negatief synoniem hebben gekregen? De meningen van taalkundigen zijn niet eensluidend, zo wordt gesteld dat ‘snert’ zijn oorsprong vindt in het oud-Nederlandse ‘snirten’, wat ‘fijnkoken’ betekent. Maar het zou ook afgeleid kunnen zijn van ‘sissen, pruttelen in de pan.’ En in de verbinding ‘een hap snert’ betekent het zelfs ‘een glas jenever.’

Overigens, snert maak je het best een dag van tevoren, dan wordt ‘ie lekker dik en blijft de lepel rechtop in de pan staan.

img_4335

 

Wispelturig

Een bevriende collega zou komen eten en ik twijfelde over het menu. Indisch of Italiaans? Tapas of mezze? In een poging een beslissing te forceren informeerde ik per Whatsapp naar haar voorkeuren en eventuele dieetwensen. Het antwoord gaf geen uitsluitsel: ‘Ik lust alles.’ Orgaanvlees dan maar? Mwah, daar ben ik zelf niet echt dol op. Pasta carbonara, met een salade caprese erbij? Nee, haring-bietensalade, yum! Ik was al halverwege het boodschappenlijstje toen ik me opnieuw bedacht: Elzasser zuurkoolschotel.

‘Wat ben je wispelturig,’ appte de collega, toen ik haar voor de vijfde keer een bericht stuurde. Wispelturig betekent ‘grillig’, ‘veranderlijk’, ‘zich doelloos voortbewegen.’ Het doet een beetje denken aan ‘kwispelen’ en dat is niet eens vergezocht volgens bepaalde taalkundigen. Het tweede deel van wispelturig vindt zijn herkomst in ‘tierig’ en ‘tieren’, zoals in ‘armetierig’ en ‘goedertieren’. Uiteindelijk serveerde ik een door jeugdsentiment ingegeven kindermenuutje: kip met friet en sla. Volgende keer die zuurkoolschotel. Of toch de bietensalade?

 

 

 

Woord van de dag: ansichtkaart

‘Groeten uit Delden’, stond er op de ansichtkaart die ik tussen mijn post vond. Aangenaam verrast draaide ik de kaart om. ‘Liefs van oom Geurt en tante Brechtje’. Ik heb geen oom Geurt en tante Brechtje. Mijn buurvrouw Liesbeth blijkbaar wel, de ansicht uit Twente was aan haar gericht.

Ansichtkaart is geen volbloed Nederlands woord. ‘Ansicht’ stamt uit het Duits en betekent het aanzien, de afbeelding. Het Nederlands bevat überhaupt vrij veel Duitse leenwoorden, maar het is an sich opmerkelijk dat juist deze term zo ingeburgerd is, omdat er sowieso een goed Nederlands equivalent voor bestaat: prentbriefkaart.

In zijn boek Van Aalmoes tot Zwijntjesjager uit 1980 wond neerlandicus P.H.Schröder zich nog vreselijk op over het gebruik van het woord ansichtkaart. ‘Volkomen overbodig’ en ‘klakkeloos overgenomen’, foetert Schröder. ‘Nog erger maken zij het die ansicht vertalen met aangezicht, een woord dat in het Nederlands alléén gelaat betekent en nooit prentbriefkaart’.

Kan zijn, maar ik vind het gewoon jammer dat er bijna uitsluitend ongezellige reclamefolders en belastingaanslagen in mijn brievenbus belanden. Een ansicht, pardon, prentbriefkaart uit het pittoreske Delden is immers veel leuker.

Groeten uit Delden

Groeten uit Delden