Selecteer een pagina

Woord van de dag: akkefietje

Een paniekerig telefoontje van een student: ‘Mevrouw, welke opdrachten moeten er morgen worden ingeleverd?’ De student in kwestie had er twee af, maar hoorde nu van een klasgenoot dat er een derde opdracht was. Met een deadline om tien uur de volgende ochtend zou dat nog een stevige klus worden. De student betoogde dat hij niets wist van die opdracht en dat hij er dus niets aan kon doen dat het niet af was (drie ontkenningen in een draak van een redenering, bah. Maar dat terzijde).  

Mijn weerwoord luidde simpelweg: het staat in de modulehandleiding die je aan het begin van het semester hebt gekregen en had moeten lezen. Een klassiek gevalletje RTFM. De student protesteerde, werd boos en gooide er tot slot een smekend ‘ja maar’ plus flut-excuus tegenaan. Ik hield voet bij stuk en wees hem fijntjes op de mogelijkheid deze opdracht te herkansen. Over drie maanden. Einde van dit akkefietje.

Maar niet voor de student. Hij had nog 22 uur om deze onaangename opdracht te klaren. Akkefietje betekent namelijk ‘vervelend klusje’, maar het wordt vaker gebruikt in de zin van ‘voorval, ruzietje’. Aan ruzie heb ik een broertje dood, maar andere akkefietjes, kom, daar zet je ferm de schouders onder en voer je zonder morren uit. Als het klaar is drink je er een stevige borrel op, een aquavit bijvoorbeeld.

Daarmee komen we op de (vermeende) herkomst van het woord: via het Latijn (aqua vītae) en/of Scandinavisch (akvavit) zou ‘akkefietje’ in het Fries terecht zijn gekomen als ‘akkefyt’, ‘akkefytsje’ en vervolgens zijn vervormd tot het tegenwoordige ‘akkefietje’. Mijn soort volk, die Friezen. Zonder ruziën een rotklus klaren en dan samen het glas heffen op de goede afloop.

Woord van de dag: antimakassartje

Collega Rob plaatste deze week op Facebook een sepiakleurige foto van zichzelf, lezend in een oude omroepgids en gezeten voor een ouderwets tv-toestel. De piepjonge Rudi Carrell op het scherm versterkt de suggestie dat het hier gaat om een kiekje uit de late jaren vijftig of vroege jaren zestig. Over de rugleuning van de gestoffeerde oorfauteuil waarop Rob zit, ligt een gehaakt doekje dat opvallend wit afsteekt tegen de rest van de foto: een antimakassartje.

Het Nederlandse antimakassartje is afgeleid van het Engelse antimacassar. Dat woord is gevormd uit het voorvoegsel anti-, dat ‘tegen’ betekent, en de naam Macassar. Die naam verwijst naar een in de negentiende en begin twintigste eeuw door mannen gebruikte haarolie. Deze makassarolie werd geproduceerd in de gelijknamige Indonesische havenstad. Een antimakassartje is in feite een soort antivetkuifkleedje: een lapje stof dat de rugleuning van fauteuils, sofa’s en canapés beschermt tegen vlekken veroorzaakt door de haarolie.

Oudere lezers herinneren zich misschien nog de aflevering van het Groot Dictee der Nederlandse Taal uit 1997, met als juryvoorzitter schrijfster Hella Haasse, waarin het woord antimakassartje voor veel deelnemers een struikelblok bleek te zijn. Het beschermende doekje was in die tijd ook al in onbruik, dus het is niet verwonderlijk dat (bijna) niemand wist wat het was, laat staan hoe het te spellen. De volledige dicteetekst, getiteld De Boekenwurm, lees je hier.

 

Taalergernis: Interpunctie heeft een functie

Intussen, op het stadsdeelkantoor van Amsterdam-Oost.

“We krijgen veel vragen over de opgeheven tuinkorflocatie.”

“Goed dat je het zegt ik maak meteen een bord dat we neerzetten op de bewuste locatie of is het lokatie de mensen moeten tenslotte weten waar ze voortaan met hun tuinafval heen moeten dat is nu de Sumatrakade zal ik er meteen ook opzetten dat we er nieuw gras gaan zaaien anders is het zo kaal met al die regen wordt het meteen zo’n blubberzooi wat vind jij”

Woord van de dag: Rampetampen

Patty Brard ligt al jaren overhoop met haar familie. Zo is te lezen in de meest recente editie van Linda en andere media citeerden er gretig uit. Dochter Priscilla heeft ze al acht jaar niet gezien en ook is Patty gebrouilleerd met haar zus. Daarover zegt La Brard: ‘Er speelt veel jaloezie mee. Zij moest zich vroeger het rampetampen studeren, ik leerde heel makkelijk.’

Welke opleiding de zus heeft gevolgd vermeldt het stuk niet, maar hopelijk heeft ze niet daadwerkelijk hoeven rampetampen voor haar diploma.

Rampetampen, een woord dat rond 1970 zijn intrede deed in de Nederlandse taal, betekent neuken. Het is afgeleid van tamp, een scheepsterm die ‘uitstekend eind touw’ betekent en ook penis. Vermoedelijk bedoelde Patty dat haar zus zich zich vroeger het (of de) rambam moest studeren. Dit betekent zoveel als ‘zich een ongeluk werken.’

Dat brengt me op de volgende uitdrukking: zich de rambam rampetampen. Het klinkt misschien niet aanlokkelijk, maar bekt wel lekker, met al die rollende r’en.

 

Uitdrukking van de dag: geen sjoege geven

Het was maandagmiddag. De groep studenten had er al een intensieve dag opzitten met lessen, een gastcollege en een excursie. Het was dan ook niet verwonderlijk dat ze onderuitgezakt wezenloos voor zich uit of op hun telefoon zaten te staren. Ergerlijk was het wel. Mijn les vereiste aandacht en inzet, maar op mijn vragen en opdrachten gaf de groep totaal geen sjoege. Wat ik ook probeerde, geen reactie.

Sjoege komt uit het bargoens (dieventaal) en is waarschijnlijk ontleend aan het Jiddische sjoewe, dat ‘antwoord geven’ betekent. Waar de g-klank vandaan komt is onduidelijk. Die zou onder invloed van mesjogge of mesjokke (gek, krankzinnig) kunnen zijn ontstaan.

Je kunt met sjoege veel kanten op: je kunt het (niet) geven of krijgen, maar ook (niet) hebben of nemen. Met dat laatste wordt bedoeld ‘de zaak bekijken, nadenken’.

Dat is precies wat ik ga doen, want aanstaande maandag sta ik op hetzelfde uur voor dezelfde groep. Tom Poes, verzin een list.