Selecteer een pagina

Tikfout

Het gebeurt me regelmatig: ik tik hoer in plaats van hier. Irritant, die i en o naast elkaar. Volgens mij heb ik de tikfout tot nu toe onderschept, omdat ik m’n e-mails altijd check. Maar ja, je zult haast hebben en meteen op Send klikken …

“Dan zie ik je vanmiddag wel hoer!”

De plaatsing van de letters op mijn toetsenbord heeft alles te maken met de aloude mechanische typemachine, zo leer ik van Willem Wever. Uitvinder Christopher Sholes had op zijn eerste model de letters in alfabetische volgorde gezet. Echter, bij snelle typers leverde dat problemen op: de letterstangetjes van letters die vaak na elkaar volgden, bleven regelmatig klem zitten. Sholes verplaatste daarop een aantal letters in het mechaniek, waardoor ook de volgorde op het toetsenbord veranderde. Zo ontstond de typemachine met de QWERTY-indeling, die rond 1873 in productie werd genomen. De QWERTY-indeling is bij ons nog steeds gangbaar.

Rijst(e)wafel

Normaal gesproken heb ik niks met rijstwafels (de geur alleen al!). Maar sinds kort houdt het magere tussendoortje me meer dan bezig. Gelukkig vanuit een interessante invalshoek; het gaat me namelijk om de schrijfwijze.

Zo legde ik onlangs in een college uit waarom je ‘rijstepap’ schrijft zonder -n (het woord rijst kent geen meervoud, dus rijstenpap is fout). Een wakkere student reageerde: “En waarom schrijf je dan rijstwafel en niet rijstewafel?” Goede vraag! Ik had er alleen geen antwoord op. Dus beloofde ik erin te duiken. En zo geschiedde. Alleen tast ik nu – twee weken later – nog steeds in het duister. De student heb ik inmiddels het antwoord gegeven dat ik zelf van de Taaladviesdienst kreeg: er is geen regel voor, het lijkt willekeur. Zij heeft het antwoord geaccepteerd. En ik? Ik wil zo graag grip krijgen op deze taalkwestie. Voor deze ene keer dus een Ik vraag ook maar wat’: waarom schrijven we niet ‘rijstewafel’?

Ik ontwerp, ik ontworp, ik heb ontwurpen

Wij taaldocenten hebben het er maar druk mee: de SOS-colleges. Dé bijspijkergelegenheid voor onze eerstejaars media- en communicatiestudenten. Binnenkort krijgen ze een officiële taaltoets en ik gun iedereen een voldoende. Maar vooral: ik gun de mediawereld straks weer een lichting afgestudeerden met een goede taalbasis. Dus stort ik me op de vier keer honderd minuten, die bol staan van aandacht voor taalstruikelblokken en oefeningen met werkwoordspelling. Je weet wel, de het gebeurds en de wordt jijs. De hij wilts en de zij verbredes. De hij uploads en de jij lachttes.

Het ís ook niet makkelijk, getuige de fouten die we nog regelmatig in de media tegenkomen. Maar hé, deze hoef ik toch niet uit te leggen?

(Uit: FD Persoonlijk – weekendmagazine)