Selecteer een pagina

De verkiezingen: een ode aan Gummbah

Eind november vorig jaar kreeg ik van medeblogger Bertine het meesterwerkje ‘Net niet verschenen boeken’ van Gummbah cadeau. ‘Dit is geniaal!’, zei ze. Uit onze grote bewondering voor het absurdisme van Gummbah werd daarna al snel een nieuwe hobby geboren: net-echte Gummbah’s bedenken en elkaar met onze beste vondsten verrassen. In de praktijk houdt dit in dat ik niet meer kan stoppen met het verzinnen van buitenissige voornaam-achternaamcombinaties, die dan gekoppeld moeten worden aan een half-aannemelijke, literair klinkende boektitel. Eimert Schluck – Je kunt heel goed zonder nootmuskaatmolen. Zwanet van Poppel – Wreedheid zonder wroeging. Of: Guigje Sillevisch – Memoires van de meid. Dat werk.

Afgelopen woensdag verraste Bertine me met een nieuwe draai aan de Net niet verschenen boek-titels. ‘Ik heb net gestemd’,  appte ze. ‘Op Stannie Bokveld van Gladiolen ’18. Geen idee wat het voor club is, maar soit’. Ik had best willen pareren met: ‘Ik op Miljana Hurker-DeRosen, van Mokumbaya My Lord’, maar ik dacht eigenlijk gewoon dat het écht was.

Want echt, het is nauwelijks meer een uitdaging om melige partijnamen te verzinnen. Zo had ik in het Amsterdamse stemhokje de keuze uit onder meer de Amsterdamse Juffers, de Anti-Scooter Partij, de Blije Burgers, Carryonthemove, of Samen Alle Mensen Eén Nederland (SAMEN). In mijn stadsdeel kwamen daar nog bij: Groen & blauw behoud in Zuid, de Lijst Berlage, en Vooruit met de Pijp. Bovendien waren er drie partijen die in het geheel geen naam hadden. Dit verschijnsel werd door stadsblad de Echo, zonder oordeel, als volgt toegelicht: ‘Deze mensen waren te laat voor het registreren van een naam. Er komt alleen het lijstnummer op het stembiljet te staan met daaronder de kandidaten, red.’

Soms is de realiteit net een echte Gummbah.

 

 

Woordenschat: Het placht van Boudewijn

“En de leraar die mij altijd placht te dreigen
‘Jongen, jij komt nog op het verkeerde pad’
Kan tevreden zijn en hoeft niets meer te krijgen
Dat wil zeggen: hij heeft toch gelijk gehad.”

— Testament, Nijgh/De Groot 1967

Deze regels zingt Boudewijn de Groot in zijn lied ‘Testament’. Altijd als ik ze hoor, denk ik: ‘De leraar die mij ‘placht’… wát?’ Uit de context snap ik wat het betekent, maar wat een vreemd woord; vreemd en ’n beetje ouderwets, in dezelfde categorie als ‘hij toog’ (in de betekenis: hij ging ergens heen). Op de site van Onze Taal lees ik dat het de verleden tijd van ‘plegen’ is. Maar dan alléén in de betekenis van ‘gewend zijn’, niet als het gaat om bijvoorbeeld een misdaad plegen.

Dit soort taalgebruik past goed bij Boudewijn de Groot, die met zijn messcherpe dictie en poëtische, gelaagde teksten (veelal geschreven door Lennaert Nijgh) zo’n beetje de leraar Nederlands van de muziek is. Als hij het zingt, klinkt het dan ook heel natuurlijk. Toch zal ik zelf niet snel ‘placht’ gebruiken in een mailtje naar collega’s of een snaaks gesprekje. Daarom deze blogpost: laten wij ‘placht’ koesteren!

 

 

 

 

Imponderabilia

Je hebt van die woorden die echt iets toevoegen aan een verhaal. Het woord ‘muil’ vond ik als kind bijvoorbeeld een essentieel onderdeel van het sprookje Roodkapje. De ‘bek’ van de wolf zou het hele verhaal stukken minder spannend en verontrustend maken. Laat staan z’n ‘snuit’; dat is iets voor een schattig dier, niet voor een bloeddorstige mensenverslinder.

Het kan ook dat een woord zo briljant is, dat het verhaal er eigenlijk niet meer toe doet. De context waarin ik het woord ‘imponderabilia’ heb leren kennen, is op zich niet geweldig interessant: een vriend uit mijn studententijd vertelde me eens dat hij extra moest gaan bijlenen bij DUO, omdat zijn vader het collegegeld niet meer wilde betalen. De onderbouwing voor deze onsympathieke beslissing? ‘Jongen,’ had de vader gezegd, ‘ik heb de indruk dat jij de nodige imponderabilia mist om deze studie tot een goed einde te brengen.’ Wat een opgeblazen figuur. En wat een flauwe manier om je zoon onderuit te halen, met zulke kritiek waar niemand wat mee kan. Maar wát een schitterend woord!

Natuurlijk moesten we opzoeken wat het betekende. Imponderabilia zijn onweegbare zaken; alles wat je niet kunt meten of wegen, maar wat toch meetelt. Het komt uit het Latijn: ponderare is wegen. Het is een woord waar je heerlijk over kunt mijmeren, waar je indruk mee kunt maken op andere woordenliefhebbers, of waar je, zoals die vader, een rookgordijn mee kunt optrekken. Je kunt er trouwens ook een performance over maken. Dat deden kunstenaars Marina Abramovic en Ulay in 1977. Ik mijmer nog even verder.

Het voltooid deelwoord verdwijnt: een quiz

Stel, u bent de oplader van uw telefoon kwijt. U verschuift wat stapeltjes kranten, u loert eens onder de bank, maar het ding is niet te vinden. Nu ja, u gaat maar eens een kop koffie zetten, hij zal wel boven water komen.
Dan komt een van uw kinderen triomfantelijk de kamer binnen met uw oplader en de woorden: “Ik vond de oplader!” Wat zegt u?

  1. “Bedankt, schat!”
  2. “Bedankt, schat! Waar was-ie nou?”
  3. “Bedankt, schat! Maar het is: ‘Ik heb de oplader gevonden’, niet: ‘Ik vond de oplader’. Wat is dat toch met dat verdwijnende voltooid deelwoord? Ik hoor die rare formulering steeds vaker. Zou het de invloed van het Engels zijn? Van slap vertaalde ondertitels? ‘Mom, I found the charger!’ Laatst nog, op Twitter, zei iemand: ‘To kill a mockingbird, dat las ik nooit’. Dat is toch niet logisch! Gisteren las ik het niet, vorige week las ik het niet, en zelfs vorig jaar las ik het niet? Je bedoelt: ‘Dat heb ik nooit gelezen!’ En dan zeggen mensen: ‘Maar het is korter’. Ja, hállo, hij vind is ook korter dan hij vindt, maar dat is wel fout hè. En trouwens … hé … ben je daar nog?”

DE UITSLAG:

  1. U bent een vriendelijke ouder, maar u bent volgende week wéér uw oplader kwijt.
  2. U bent een vriendelijke ouder en u hebt een onderzoekende houding. Ga zo door.
  3. U bent een taalblogger voor ikzegookmaarwat.nl. Fijn voor u, maar ook voor uw omgeving!