Selecteer een pagina

Who the fuck is Tante Betje?

Studenten bereiden zich voor op de herkansing van de taaltoets. Op de gang geeft een student uitleg aan een klasgenoot. Deze zegt met een ongelovig gezicht: ‘Who the fuck is tante Betje?’

Een tante betje is een stijlfout waarbij in een samengestelde zin op een foutieve wijze inversie wordt toegepast. Huh? Een voorbeeld: ‘Straks in de lunchpauze koop ik een broodje maar eet ik nu alvast een mandarijn.’ De eerste zin (‘Straks in de lunchpauze koop ik een broodje’) is correct. De persoonsvorm staat hier na het gezegde, dit heet inversie. In de tweede hoofdzin had de persoonsvorm voor het gezegde moeten staan (‘maar ik eet nu alvast een mandarijn’). Hier is dus ten onrechte inversie gebruikt.

Maar wie was nu tante Betje? Volgens Onze Taal is de naam ‘tante betje’ (ja, je schrijft het echt zonder hoofdletters) geïntroduceerd door de taalpurist Charivarius (1870-1946) in zijn taaladviesboek Is dat goed Nederlands? (1940). Naar zijn zeggen kwam hij de stijlfout steevast tegen in de brieven van zijn tante Betje.

Een goede uitleg over tante betjes vind je bij taalunieversum.

 

Hoe zat het ook alweer? Al/als

Een student schrijft dat docenten zich goed in trends moeten verdiepen als zij de studenten willen vermaken: “Ik denk dat dit erg belangrijk is, al kijk ik naar mijn eigen lessen.”

Pardon? Als je vermaakt wilt worden, ga je toch niet naar schóól? Persoonlijk vind ik de bioscoop dan leuker.

Afgezien daarvan: de formulering met een foutief gebruik van het voegwoord ‘al’ (‘al kijk ik naar mijn eigen lessen’) kom ik vaker tegen. Correct zou zijn: ‘als ik naar mijn eigen lessen kijk.’

Mijn taalgevoel vertelt mij dat de zin fout is. Maar ik moest er wel even diep over nadenken waarom dat zo is. Ik denk dat het zo zit: het woord ‘al’ is hier gebruikt als voegwoord van voorwaarde. Maar alleen ‘als’, ‘wanneer’, ‘indien’ en ‘mits’ kunnen als voegwoord van voorwaarde gebruikt worden.

‘Al’ kan wel als voegwoord gebruikt worden, maar dan als voegwoord van toegeving: ‘Al regent het morgen nog zo hard, ik kom gewoon op de fiets.’

Ik vermoed dat het foutief gebruik van ‘al’ in sommige regio’s (Zuid Nederland?) meer voorkomt dan in andere. Of vergis ik me? Aanvullingen zijn welkom.

 

Om te grienen

Je zal maar in groep 8 zitten van een niet nader genoemde basisschool in den lande. En dan als huiswerk deze oefening voor je neus krijgen:

BjouHHGIQAAUJsh

 

Om te grienen natuurlijk, want ik ga ervan uit dat de ontwerper van deze toets er niet expres een instinker in heeft gestopt (mooi woord trouwens, ‘instinker’, kom ik op terug). Nee, dit is gewoon domheid van de allerergste soort.

Je kunt natuurlijk prima discussiëren over de vraag of leerlingen uit groep 8 zo nodig moeten weten wat een lijdend voorwerp is (ik mag op taaleducatief gebied graag de revisionist uithangen), maar, lieve docent, áls je dan besluit dat ontleden superbelangrijk is, wek dan in ieder geval de indruk dat je het zelf snapt.

Voor de duidelijkheid: in de zin ‘Mijn nieuwe vlieger was binnen drie dagen kapot’ staat heul geen lijdend voorwerp. Er is sprake van een naamwoordelijk gezegde, ‘was kapot’, waarbij ‘was’ optreedt als koppelwerkwoord.  Oftewel: deze vlieger gaat niet op. Heb je vaker met kapotte vliegers.

(fotootje kwam van twitteraar NBvdB).

Cosmetisch misverstand

Hapert natuurlijk aan alle kanten, deze tekst. Alleen al de constructie: ‘Plezier is…’ Het riekt een beetje naar de klassieke  reclames van het Britse sigarenmerk Hamlet, ‘Happiness is a cigar called Hamlet‘. Maar in het Nederlands werkt zoiets niet. ‘Plezier is… met wind mee fietsen over de Afsluitdijk’. Het kán wel, maar het is niet fraai.

IMG_2568

Het gebruik van het woord ‘cosmetica’ is hier natuurlijk het grootste struikelblok. ‘Cosmetica’ is meervoud, en om dat zo in één zin te zetten met de enkelvoudige constructie ‘plezier is…’ en ‘dus lach en draag HET’, grenst aan het onbetamelijke. Je zegt ook niet ‘auto is de beste vervoermiddelen’ of ‘de aanval is de beste verdedigingen’. Om met de Engelsen te spreken: it does not compute.

Nu geef ik toe dat cosmetica een lastig woord is; het lijkt een plurale tantum en wordt ook vrijwel uitsluitend als zodanig gebruikt, maar er bestaat wel degelijk zoiets als een cosmeticum. Als in: ‘Ach apotheker, ik heb zo’n last van huidschimmel. Geeft u mij maar een flacon van uw beste cosmeticum!’ Het woord komt overigens van het Griekse werkwoord kosmein, dat ‘ordenen’ of ‘rangschikken’ betekent. Kosmetos betekent ‘netjes, geordend’. In lijn gebracht met de kosmos, zogezegd.

Enfin. Het is verleidelijk om flauwe grappen te maken over hoe verstand hebben van cosmetica omgekeerd evenredig is aan verstand hebben van taal, maar laat ik dat maar niet doen.