Selecteer een pagina

Hoe zat het ook alweer? Hoe je het went/wendt of keert

“Hoe je het ook went of keert, we komen er voorlopig niet meer vanaf”, las ik onlangs in een artikel van een student. Ik kom de uitdrukking op deze manier vaker tegen, maar het went niet. Want de correcte uitdrukking luidt: hoe je het ook wendt (van het werkwoord wenden) of keert… En vervolgens komt er meestal iets onvermijdelijks. Wenden betekent draaien of keren. Eigenlijk zeg je: van welke kant je het ook bekijkt, hoe je iets ook draait om er op een andere manier tegenaan te kijken.

De fout komt relatief vaak voor, ook in professionele media. Kleine oogst van de afgelopen tijd:

“Hoe je het ook went of keert; niet iedereen in onze regio bezoekt een theater, muziekschool of museum.” (Dagblad van het Noorden)

“Hoe je het went of keert, alles in huis heeft aandacht nodig, al is het maar omdat je het moet afstoffen.” (AD/Groene Hart)

“We blijven samen, hoe je het ook went of keert.” (Metro)

Wat is de reden dat het met deze uitdrukking regelmatig verkeerd gaat? Ik denk dat het komt omdat mensen het werkwoord ‘wennen’ (het went nooit) veel vaker gebruiken dan het wat ouderwetse ‘wenden’. “Hij wendt de steven”, je hoort of leest dat nog zelden. Een kleine Google-speurtocht leerde dat het woord nog wel vaak in klachtenregelingen opduikt: “Leidt dat niet tot een bevredigende oplossing, dan wendt u zich tot de schooldirectie, die uw klacht in behandeling neemt en een beslissing neemt.”

 

Uitdrukking van de dag: Nieuwsgierig Aagje

Tijdens het nakijken van een opdracht voor het vak Tekstschrijven stuitte ik op een spelfout (‘nieuwschierig’) die me op de uitdrukking ‘nieuwsgierig Aagje’ bracht. Zelf nieuwsgierig geworden zocht ik de herkomst ervan op. Blijkt me daar toch een heel (zielig) verhaal achter te zitten. Avontuur! Hoererij! Diefstal! Slutshaming!

Het nieuwsgierig Aagje van Enkhuizen komt als personage voor het eerst voor in het 17e eeuwse kluchtboek De Gaven van de milde St. Marten (doorscrollen naar blz 17). Voor wie het ouderwetse taalgebruik een belemmering is, volgt hier een beknopte versie in hedendaags Nederlands.

Het verhaal speelt zich af tijdens het twaalfjarig bestand (1609-1621) in de Tachtigjarige Oorlog met Spanje. Aagje is een jonge vrouw uit Enkhuizen en getrouwd met een smid. In de buurt woont schipper Freek, die geregeld op Antwerpen vaart. Freek zit vol verhalen en Aagje wil die mooie stad wel eens met eigen ogen aanschouwen. Ze zeurt net zo lang bij haar man (‘lelde de Smit soo langh aen ’t hooft’) tot deze haar belooft dat ze mee mag met de buurman. De smid geeft Aagje honderd gulden, waarmee ze in Antwerpen materialen voor hem moet kopen.

In Antwerpen gaat het natuurlijk helemaal mis. Eenmaal aangemeerd aan de kaai gaat schipper Freek eerst zijn zaken regelen en belooft daarna Aagje rond te leiden door de stad. Het nieuwsgierige wicht kan haar ongeduld echter niet bedwingen en trekt er alleen op uit, in haar beste Enkhuizer goed en met de honderd gulden op zak. Het duurt niet lang of ze wordt aangesproken door een gladde Spaanse Brabander, die haar begroet met ‘nichteken’, de benaming voor hoer.

De naïeve Aagje meent echter dat deze sinjeur familie van haar is (ze had haar moeder horen vertellen over neef Ian van Spanje) en gaat in op zijn uitnodiging haar de stad te laten zien. Dan begint de ellende pas goed. Aagje belandt in een bordeel (‘t slimste hoerhuys’), wordt dronken gevoerd, misbruikt en beroofd van de honderd gulden, haar zilvergoed en mooie Enkhuizer kleren. ‘Neef Ian van Spanje’ gaat er schielijk vandoor en Aagje, nog steeds starnakel en buiten westen, wordt door de hoeren in een ‘bootsgesels kleetje‘ gehesen, krijgt een schippersmutsje opgezet, wordt in een bakermat gelegd en naar buiten gezeuld. Daar is ze het mikpunt van spot van passerende handwerkslieden.

Uiteindelijk ziet de onfortuinlijke Aagje haar buurman Freek langslopen, die haar nauwelijks herkent in die lompen. Eenmaal terug in Enkhuizen wordt het ‘avontuurtje zo veel verduystert als ‘t mogelijck was’, maar in Antwerpen lachen ‘Ian van Spanje’ en zijn confraters nog lang en smakelijk om de lotgevallen van ‘t nieuwsgierige Aagje van Enkhuizen. 

Luister hier naar het oorspronkelijke verhaal (7’30”):

 

Hoe zat het ook alweer? Niet denkbeeldig/ondenkbeeldig

Als je van een behoorlijk eindje hardlopen houdt, kun je je hart ophalen in ons sportminnende land. Amsterdam en Rotterdam hebben beroemde marathons. En zelfs op Terschelling kun je één keer per jaar met een paar honderd anderen 42 kilometer hollen.

Is dat niet genoeg uitdaging? Dan kun je in het buitenland exotische marathons lopen. In het jongste nummer van het tijdschrift Runner’s World staat een reportage over de Eilat Desert International Marathon. Die is niet voor watjes. “De weg is bezaaid met vuistgrote keien, het parcours zakt en stijgt voortdurend. Sommige stenen zijn verankerd in de rotsbodem en bieden grip, anderen schuiven of rollen in de afdaling spontaan een stukje mee. Hardlopen doe je hier met opgetrokken tenen. Dat is vermoeiend, maar het voorkomt dat je in volle vaart tegen een kei aanschopt, wat in een drieste afdaling niet ondenkbeeldig is.”

Opgepast! Nee, niet voor die kei, maar voor die uitdrukking ‘niet ondenkbeeldig’. Die is namelijk niet juist, maar je komt deze constructie vaak tegen. Zo vaak zelfs, dat de Taalunie hier het predicaat ‘onduidelijk‘ aan verleent, wat wil zeggen dat de uitdrukking zo vaak voorkomt dat we die misschien goed moeten rekenen.

Hoe zit het? Correct is ‘niet denkbeeldig’ als we willen zeggen dat er een reële kans is dat iets gebeurt. Dat je tegen een kei aanschopt is geen denkbeeld, maar het kan daadwerkelijk plaatsvinden.

Waarom kom je dan toch vaak de term ‘niet ondenkbeeldig’ tegen? Dat komt waarschijnlijk door het woord ‘ondenkbaar’, dat er sterk op lijkt. En we hebben de bijbehorende uitdrukking ‘niet ondenkbaar’. Als iets niet denkbeeldig is, is het niet ondenkbaar. En als je even niet oplet, noem je het vervolgens ‘niet ondenkbeeldig’. Waarmee je eigenlijk zegt dat iets niet waarschijnlijk is, terwijl je vermoedelijk het tegenovergestelde bedoelt. “Uit de context blijkt gewoonlijk wat er bedoeld is, maar omdat er letterlijk genomen het tegenovergestelde staat, is dit gebruik voor sommige taalgebruikers niet aanvaardbaar”, aldus de Taalunie.

 

Hoe zat het ook alweer: perse, persé of per se?

Twee dagen geleden mailde een student dat hij ‘perse’ in een andere klas wilde. Zelf schreef ik gisteren een collega dat ik het niet ‘per se’ met zijn voorstel eens was. Een uur geleden sms’te een vriendin die ik nog nooit op een taalfout heb betrapt: ‘Familie-alarm, moet je persé spreken!’

Perse, persé of per se, that’s the question. De officiële schrijfwijze is ‘per se’; dat we tegenwoordig vaak ‘persé’ tegenkomen heeft te maken met het vernederlandsen van de Latijnse vorm: voor de uitspraak zet men een accent op de e. Dit zie je trouwens vaker: mensen hebben acné in plaats van acne en dat vinden ze geen pré…

Dat mensen denken dat het ‘persé’ is, begrijp ik wel. Volgens Onze taal staat de deur voor deze schrijfwijze zelfs op een kier. Maar ‘perse’? Dat lijkt me de aanvoegende wijs van het werkwoord ‘persen’ en per se niet wat de student in die klas wil.

Hoe zat het ook alweer? Polshoogte/poolshoogte

Deze week kwam ik er tot mijn schrik achter dat je ergens póólshoogte neemt. Ik blijk dus gewoon al jaren overal polshoogte te hebben genomen. Sorry, mensen.

Schrale troost: ik ben niet de enige die deze fout maakt. Als ik op Volkskrant.nl zoek op polshoogte, krijg ik 71 resultaten, op NRC.nl 100. Bij de Telegraaf slechts 1, maar die hebben dan ook een onvolprezen eindredactie. De verwarring komt door het woord polsen dat ‘voorzichtig iemands mening vragen’ betekent. ‘Poolshoogte nemen’ betekent ‘inlichtingen inwinnen’ of ‘zich van de toestand op de hoogte brengen’, betekenissen die aanschurken tegen polsen.

De uitdrukking verwijst naar de hemelpool. Als je poolshoogte neemt, peil je de hoogte van de hemelpool, het punt aan de hemel dat recht boven de noord- of zuidpool ligt. Door die hoek te berekenen, kun je bepalen op welke geografische hoogte je bent.

Overigens vindt Taalunieversum polshoogte echt fout, maar die lieverds van Onze Taal noemen het gewoon ‘minder juist’. Zo kan het toch ook?!

 

 

Hoe zat het ook alweer? Stadten/statten

Mail van collega Caroline: ik deed net weer trouw m’n beterspellentest en verbaasde me over onderstaande vraag (en antwoord):

In de kerstweek is het altijd gezellig om te …….. .

  • stadten
  • statten
  • stadden

Fout.
Jouw antwoord: stadten
Het juiste antwoord: statten
 

Ik snap de verbazing. Statten staat raar en stadten ‘voelt’ logischer. De Taalunie legt uit dat er bij de spelling van statten voor gekozen is om het woord te schrijven zoals je het hoort en de d dus te laten verdwijnen. Op dezelfde manier heet iemand uit Lelystad ook een Lelystatter.

Caroline verwijst in haar mail naar de site Beter Spellen.nl waar je een dagelijks een korte spellingtest kunt doen op een niveau dat bij je past. Aanrader!