Selecteer een pagina

Hoe zat het ook alweer? Argumentatie/beargumentatie

“Ik heb hiervoor de volgende beargumentatie”, las ik onlangs in een werkstuk van een student. Ze kwam vervolgens met een serie argumenten op de proppen om haar keuze te verdedigen. Volgens mij bedoelde ze argumentatie.

Ik lees het woord beargumentatie de laatste tijd vaker. Maar wie de Dikke Van Dale erop naslaat, zal het vergeefs zoeken. Beargumenteren vind je er wel, alsook argumentatie. Maar beargumentatie dus niet. Hoe zit dat?

Laten we eerst kijken naar het verschil tussen beargumenteren en argumenteren.

Beargumenteren betekent: argumenten aanvoeren voor iets. Het is een zogenoemd overgankelijk werkwoord. Dat houdt in dat het altijd een lijdend voorwerp bij zich heeft. Je beagumenteert iets: een keuze bijvoorbeeld. “Hij beargumenteert”, zonder lijdend voorwerp, dat kan niet.

Argumenteren is bijna hetzelfde als beargumenteren, maar heeft een iets bredere betekenis. Iemand die argumenteert voert in algemene zin argumenten aan. Je zegt bijvoorbeeld dat iemand argumenteert als de beste. Van Dale geeft ook ‘redetwisten’ als betekenis: “ar­gu­men­te­ren met zo’n op­po­nent is erg moei­lijk”. En volgens Van Dale kan het ook een overgankelijk werkwoord zijn, bijvoorbeeld: “het Kamerlid argumenteerde dat de minister eerder openheid van zaken had moeten geven.” De bijzin “dat de minister eerder openheid van zaken had moeten geven” fungeert in dit geval als lijdend voorwerp.

Argumentatie en beargumentatie zijn de zelfstandige naamwoorden bij beide werkwoorden. Maar waarom staat het eerste wel in Van Dale en het tweede niet?

Misschien om de volgende reden? Argumentatie (het argumenteren) kun je als zelfstandige activiteit onderscheiden. Argumentatie kan ook op het geheel van argumenten slaan: een steekhoudende argumentatie. Dat is wat de studente in de eerste alinea bedoelde. Maar beargumenteren kun je niet als zelfstandige activiteit zonder context onderscheiden. Je kunt wel zeggen: “Het fietsen gaat haar beter af dan het argumenteren”. Maar je kunt niet zeggen: “Het fietsen gaat haar beter af dan het beargumenteren”. Want je beargumenteert altijd iets.

Maar toch… Ik kwam in het gerespecteerde Financieele Dagblad deze zin tegen met daarin het woord beargumentatie: “Bij beargumentatie van zijn voorstellen verschuilt het ministerie zich achter een recente rechterlijke uitspraak”. Ik zie hier eigenlijk niets vreemds aan. Beargumentatie wordt hier gebruikt in combinatie met voorstellen (die worden beargumenteerd). Zolang bij het gebruik van het woord beargumentatie duidelijk is wát er beargumenteerd wordt, kan het volgens mij. Misschien toch maar opnemen in de Van Dale?

 

Actiepuntje

Afgelopen dagen had ik wat last van stress. De hoeveelheid actiepunten (waaronder een IZOMW-stukje schrijven) was er de oorzaak van. Als ik gestrest ben, wil ik natuurlijk dat het stressen zo snel mogelijk stopt. Ik streste wat af om van de stress af te komen. Wat een gestres!
Maar vannacht kreeg ik een idee: laat ik er mijn stukje over schrijven. Ik was direct relaxed. Ik realiseer me nu dat ik al lang niet meer écht gerelaxt heb, terwijl relaxen op z’n tijd van levensbelang is. Dan ben ik vast ook een relaxtere docent. Afijn, weer een nieuw actiepuntje dus: een relaxed dagje inplannen.

Het werkwoord stressen vervoeg je  – volgens de officiële regels – als volgt: de stam is stress, maar omdat de dubbele s hier niet nodig is voor een correcte uitspraak, vervalt er één s. De stam wordt dus stres. De laatste medeklinker van de stam zit in ’t ex-kofschip (de moderne variant van ‘t kofschip) en daarom vervoeg je met een t: ik streste, ik heb gestrestHet woord gestres is afgeleid van het werkwoord, en schrijf je dus net als de stam met één s.
Relaxed gebruik je als bijwoord of als bijvoeglijk naamwoord als dat onverbogen is. Is het wél verbogen, dan krijg je: relaxte(re). Het werkwoord relaxen heeft als stam relax. De medeklinker x zit in  ’t ex-kofschip. Vervoegen gebeurt dus met een t: ik relaxte, ik heb gerelaxt .

 

Uitdrukking van de dag: zich stierlijk vervelen

Tijdens het voorjaarsreces vorige week heb ik mijn voornemen om eens he-le-maal niets te doen helaas niet kunnen uitvoeren. Een pittige takenlijst en een trits sociale verplichtingen gooiden roet in het eten. Die had ik natuurlijk kunnen uitstellen tot na de vakantie, maar het (calvinistische?) plichtsbesef was sterker dan de zucht naar zalig nietsdoen. Dolce far niente, zoals de Italianen het noemen.

Een van de geplande bezoekjes was een kraamvisite. De jonge moeder was bevallen met een keizersnee, waarvan de datum al weken vaststond. Gelukkig bleek alles voorspoedig verlopen, met een blozende baby als resultaat. Moeders zelf lag er ook blozend bij en voelde zich uitstekend, ze had immers geen slopende horrorbevalling achter de rug en alles was weer netjes dichtgeniet. Het was haar derde keizersnee, dus de nieuwigheid was er  wel af.

Daar lig je dan, alleen in een ziekenhuiskamer met je kleine spruit, die weinig aandacht behoeft en de tijd goeddeels slapend doorbrengt. Veel aanloop had ze niet, want het merendeel van de familie en vrienden stond ergens in de vrieskou op een Franse of Oostenrijkse berg. “Ik wil naar huis, ik verveel me hier stierlijk,” klonk het dan ook uit moeders mond. Ik kon een licht gevoel van jaloezie niet onderdrukken. Niet dat ik graag een blakend babyjongetje op deez’ aard’ had willen zetten, maar dat stierlijk vervelen had me heerlijk geleken. Een volle week he-le-maal niets doen. De luxe!

Je stierlijk vervelen heeft slechts zijdelings met runderen te maken, hoewel die doorgaans geen overvolle agenda hebben en ruim de tijd om chill te liggen herkauwen. ‘Stierlijk’ heeft hier de betekenis van ‘heel erg’, ‘in hoge mate’. De oorsprong ligt in de zeevaart. Zeelieden die de woeste baren missen als ze langer aan wal zijn dan gewoonlijk, gaan zich vervelen. Ze ‘hebben er het land aan’ dat ze nog niet terug naar zee kunnen. Om het kracht bij te zetten werd het later ‘het land hebben als een stier’, verwijzend naar het gevoel dat we stieren toedichten als er geen koeien in de buurt zijn. Wel zo rustig voor die koeien trouwens, kunnen ze zich lekker stierlijk liggen vervelen tijdens het herkauwen.

Hoe zat het ook alweer? Hoe je het went/wendt of keert

“Hoe je het ook went of keert, we komen er voorlopig niet meer vanaf”, las ik onlangs in een artikel van een student. Ik kom de uitdrukking op deze manier vaker tegen, maar het went niet. Want de correcte uitdrukking luidt: hoe je het ook wendt (van het werkwoord wenden) of keert… En vervolgens komt er meestal iets onvermijdelijks. Wenden betekent draaien of keren. Eigenlijk zeg je: van welke kant je het ook bekijkt, hoe je iets ook draait om er op een andere manier tegenaan te kijken.

De fout komt relatief vaak voor, ook in professionele media. Kleine oogst van de afgelopen tijd:

“Hoe je het ook went of keert; niet iedereen in onze regio bezoekt een theater, muziekschool of museum.” (Dagblad van het Noorden)

“Hoe je het went of keert, alles in huis heeft aandacht nodig, al is het maar omdat je het moet afstoffen.” (AD/Groene Hart)

“We blijven samen, hoe je het ook went of keert.” (Metro)

Wat is de reden dat het met deze uitdrukking regelmatig verkeerd gaat? Ik denk dat het komt omdat mensen het werkwoord ‘wennen’ (het went nooit) veel vaker gebruiken dan het wat ouderwetse ‘wenden’. “Hij wendt de steven”, je hoort of leest dat nog zelden. Een kleine Google-speurtocht leerde dat het woord nog wel vaak in klachtenregelingen opduikt: “Leidt dat niet tot een bevredigende oplossing, dan wendt u zich tot de schooldirectie, die uw klacht in behandeling neemt en een beslissing neemt.”

 

Uitdrukking van de dag: Nieuwsgierig Aagje

Tijdens het nakijken van een opdracht voor het vak Tekstschrijven stuitte ik op een spelfout (‘nieuwschierig’) die me op de uitdrukking ‘nieuwsgierig Aagje’ bracht. Zelf nieuwsgierig geworden zocht ik de herkomst ervan op. Blijkt me daar toch een heel (zielig) verhaal achter te zitten. Avontuur! Hoererij! Diefstal! Slutshaming!

Het nieuwsgierig Aagje van Enkhuizen komt als personage voor het eerst voor in het 17e eeuwse kluchtboek De Gaven van de milde St. Marten (doorscrollen naar blz 17). Voor wie het ouderwetse taalgebruik een belemmering is, volgt hier een beknopte versie in hedendaags Nederlands.

Het verhaal speelt zich af tijdens het twaalfjarig bestand (1609-1621) in de Tachtigjarige Oorlog met Spanje. Aagje is een jonge vrouw uit Enkhuizen en getrouwd met een smid. In de buurt woont schipper Freek, die geregeld op Antwerpen vaart. Freek zit vol verhalen en Aagje wil die mooie stad wel eens met eigen ogen aanschouwen. Ze zeurt net zo lang bij haar man (‘lelde de Smit soo langh aen ’t hooft’) tot deze haar belooft dat ze mee mag met de buurman. De smid geeft Aagje honderd gulden, waarmee ze in Antwerpen materialen voor hem moet kopen.

In Antwerpen gaat het natuurlijk helemaal mis. Eenmaal aangemeerd aan de kaai gaat schipper Freek eerst zijn zaken regelen en belooft daarna Aagje rond te leiden door de stad. Het nieuwsgierige wicht kan haar ongeduld echter niet bedwingen en trekt er alleen op uit, in haar beste Enkhuizer goed en met de honderd gulden op zak. Het duurt niet lang of ze wordt aangesproken door een gladde Spaanse Brabander, die haar begroet met ‘nichteken’, de benaming voor hoer.

De naïeve Aagje meent echter dat deze sinjeur familie van haar is (ze had haar moeder horen vertellen over neef Ian van Spanje) en gaat in op zijn uitnodiging haar de stad te laten zien. Dan begint de ellende pas goed. Aagje belandt in een bordeel (‘t slimste hoerhuys’), wordt dronken gevoerd, misbruikt en beroofd van de honderd gulden, haar zilvergoed en mooie Enkhuizer kleren. ‘Neef Ian van Spanje’ gaat er schielijk vandoor en Aagje, nog steeds starnakel en buiten westen, wordt door de hoeren in een ‘bootsgesels kleetje‘ gehesen, krijgt een schippersmutsje opgezet, wordt in een bakermat gelegd en naar buiten gezeuld. Daar is ze het mikpunt van spot van passerende handwerkslieden.

Uiteindelijk ziet de onfortuinlijke Aagje haar buurman Freek langslopen, die haar nauwelijks herkent in die lompen. Eenmaal terug in Enkhuizen wordt het ‘avontuurtje zo veel verduystert als ‘t mogelijck was’, maar in Antwerpen lachen ‘Ian van Spanje’ en zijn confraters nog lang en smakelijk om de lotgevallen van ‘t nieuwsgierige Aagje van Enkhuizen. 

Luister hier naar het oorspronkelijke verhaal (7’30”):

 

Hoe zat het ook alweer? Niet denkbeeldig/ondenkbeeldig

Als je van een behoorlijk eindje hardlopen houdt, kun je je hart ophalen in ons sportminnende land. Amsterdam en Rotterdam hebben beroemde marathons. En zelfs op Terschelling kun je één keer per jaar met een paar honderd anderen 42 kilometer hollen.

Is dat niet genoeg uitdaging? Dan kun je in het buitenland exotische marathons lopen. In het jongste nummer van het tijdschrift Runner’s World staat een reportage over de Eilat Desert International Marathon. Die is niet voor watjes. “De weg is bezaaid met vuistgrote keien, het parcours zakt en stijgt voortdurend. Sommige stenen zijn verankerd in de rotsbodem en bieden grip, anderen schuiven of rollen in de afdaling spontaan een stukje mee. Hardlopen doe je hier met opgetrokken tenen. Dat is vermoeiend, maar het voorkomt dat je in volle vaart tegen een kei aanschopt, wat in een drieste afdaling niet ondenkbeeldig is.”

Opgepast! Nee, niet voor die kei, maar voor die uitdrukking ‘niet ondenkbeeldig’. Die is namelijk niet juist, maar je komt deze constructie vaak tegen. Zo vaak zelfs, dat de Taalunie hier het predicaat ‘onduidelijk‘ aan verleent, wat wil zeggen dat de uitdrukking zo vaak voorkomt dat we die misschien goed moeten rekenen.

Hoe zit het? Correct is ‘niet denkbeeldig’ als we willen zeggen dat er een reële kans is dat iets gebeurt. Dat je tegen een kei aanschopt is geen denkbeeld, maar het kan daadwerkelijk plaatsvinden.

Waarom kom je dan toch vaak de term ‘niet ondenkbeeldig’ tegen? Dat komt waarschijnlijk door het woord ‘ondenkbaar’, dat er sterk op lijkt. En we hebben de bijbehorende uitdrukking ‘niet ondenkbaar’. Als iets niet denkbeeldig is, is het niet ondenkbaar. En als je even niet oplet, noem je het vervolgens ‘niet ondenkbeeldig’. Waarmee je eigenlijk zegt dat iets niet waarschijnlijk is, terwijl je vermoedelijk het tegenovergestelde bedoelt. “Uit de context blijkt gewoonlijk wat er bedoeld is, maar omdat er letterlijk genomen het tegenovergestelde staat, is dit gebruik voor sommige taalgebruikers niet aanvaardbaar”, aldus de Taalunie.