Selecteer een pagina

Woordenschat: Het placht van Boudewijn

“En de leraar die mij altijd placht te dreigen
‘Jongen, jij komt nog op het verkeerde pad’
Kan tevreden zijn en hoeft niets meer te krijgen
Dat wil zeggen: hij heeft toch gelijk gehad.”

— Testament, Nijgh/De Groot 1967

Deze regels zingt Boudewijn de Groot in zijn lied ‘Testament’. Altijd als ik ze hoor, denk ik: ‘De leraar die mij ‘placht’… wát?’ Uit de context snap ik wat het betekent, maar wat een vreemd woord; vreemd en ’n beetje ouderwets, in dezelfde categorie als ‘hij toog’ (in de betekenis: hij ging ergens heen). Op de site van Onze Taal lees ik dat het de verleden tijd van ‘plegen’ is. Maar dan alléén in de betekenis van ‘gewend zijn’, niet als het gaat om bijvoorbeeld een misdaad plegen.

Dit soort taalgebruik past goed bij Boudewijn de Groot, die met zijn messcherpe dictie en poëtische, gelaagde teksten (veelal geschreven door Lennaert Nijgh) zo’n beetje de leraar Nederlands van de muziek is. Als hij het zingt, klinkt het dan ook heel natuurlijk. Toch zal ik zelf niet snel ‘placht’ gebruiken in een mailtje naar collega’s of een snaaks gesprekje. Daarom deze blogpost: laten wij ‘placht’ koesteren!

 

 

 

 

Uitdrukking van de dag: Nieuwsgierig Aagje

Tijdens het nakijken van een opdracht voor het vak Tekstschrijven stuitte ik op een spelfout (‘nieuwschierig’) die me op de uitdrukking ‘nieuwsgierig Aagje’ bracht. Zelf nieuwsgierig geworden zocht ik de herkomst ervan op. Blijkt me daar toch een heel (zielig) verhaal achter te zitten. Avontuur! Hoererij! Diefstal! Slutshaming!

Het nieuwsgierig Aagje van Enkhuizen komt als personage voor het eerst voor in het 17e eeuwse kluchtboek De Gaven van de milde St. Marten (doorscrollen naar blz 17). Voor wie het ouderwetse taalgebruik een belemmering is, volgt hier een beknopte versie in hedendaags Nederlands.

Het verhaal speelt zich af tijdens het twaalfjarig bestand (1609-1621) in de Tachtigjarige Oorlog met Spanje. Aagje is een jonge vrouw uit Enkhuizen en getrouwd met een smid. In de buurt woont schipper Freek, die geregeld op Antwerpen vaart. Freek zit vol verhalen en Aagje wil die mooie stad wel eens met eigen ogen aanschouwen. Ze zeurt net zo lang bij haar man (‘lelde de Smit soo langh aen ’t hooft’) tot deze haar belooft dat ze mee mag met de buurman. De smid geeft Aagje honderd gulden, waarmee ze in Antwerpen materialen voor hem moet kopen.

In Antwerpen gaat het natuurlijk helemaal mis. Eenmaal aangemeerd aan de kaai gaat schipper Freek eerst zijn zaken regelen en belooft daarna Aagje rond te leiden door de stad. Het nieuwsgierige wicht kan haar ongeduld echter niet bedwingen en trekt er alleen op uit, in haar beste Enkhuizer goed en met de honderd gulden op zak. Het duurt niet lang of ze wordt aangesproken door een gladde Spaanse Brabander, die haar begroet met ‘nichteken’, de benaming voor hoer.

De naïeve Aagje meent echter dat deze sinjeur familie van haar is (ze had haar moeder horen vertellen over neef Ian van Spanje) en gaat in op zijn uitnodiging haar de stad te laten zien. Dan begint de ellende pas goed. Aagje belandt in een bordeel (‘t slimste hoerhuys’), wordt dronken gevoerd, misbruikt en beroofd van de honderd gulden, haar zilvergoed en mooie Enkhuizer kleren. ‘Neef Ian van Spanje’ gaat er schielijk vandoor en Aagje, nog steeds starnakel en buiten westen, wordt door de hoeren in een ‘bootsgesels kleetje‘ gehesen, krijgt een schippersmutsje opgezet, wordt in een bakermat gelegd en naar buiten gezeuld. Daar is ze het mikpunt van spot van passerende handwerkslieden.

Uiteindelijk ziet de onfortuinlijke Aagje haar buurman Freek langslopen, die haar nauwelijks herkent in die lompen. Eenmaal terug in Enkhuizen wordt het ‘avontuurtje zo veel verduystert als ‘t mogelijck was’, maar in Antwerpen lachen ‘Ian van Spanje’ en zijn confraters nog lang en smakelijk om de lotgevallen van ‘t nieuwsgierige Aagje van Enkhuizen. 

Luister hier naar het oorspronkelijke verhaal (7’30”):

 

Woord van de dag: filibuster

Amerikaanse toestanden in onze Tweede Kamer vorige week. De partijen 50Plus en PVV grepen naar de filibuster. Ze wilden daarmee de afschaffing van een belastingvoordeel voor mensen met een hypotheek voorkomen.

De filibuster kennen we vooral uit de Amerikaanse politiek. Daar was en is het soms een geducht wapen. De insteek: zo lang het woord blijven voeren dat de stemming over een bepaalde kwestie wordt uitgesteld. Recordhouder in de VS is senator Strom Thurmond die in 1957 een marathontoespraak van 24 uur en achttien minuten hield.

Zo lang hielden 50Plus en PVV het bij lange na niet vol. Al met al waren beide partijen ruim zes uur aan het woord. Even na half vijf ‘s nachts maakte de Kamervoorzitter een einde aan de Nederlandse filibuster. Of  liever: de poging daartoe.

Kortom, de filibuster, daarvoor moet je in de VS zijn en niet in Nederland. En dat terwijl de oorsprong van het woord Nederlands is. Het begrip is afgeleid van vrijbuiter, een woord dat uit de zestiende eeuw stamt en een piraat of avonturier aanduidt. Halverwege de negentiende eeuw kreeg het in de VS ook de betekenis van obstructievorm in het parlement door langdurig het woord te voeren.

Bron: Etymologiebank

 

Imponderabilia

Je hebt van die woorden die echt iets toevoegen aan een verhaal. Het woord ‘muil’ vond ik als kind bijvoorbeeld een essentieel onderdeel van het sprookje Roodkapje. De ‘bek’ van de wolf zou het hele verhaal stukken minder spannend en verontrustend maken. Laat staan z’n ‘snuit’; dat is iets voor een schattig dier, niet voor een bloeddorstige mensenverslinder.

Het kan ook dat een woord zo briljant is, dat het verhaal er eigenlijk niet meer toe doet. De context waarin ik het woord ‘imponderabilia’ heb leren kennen, is op zich niet geweldig interessant: een vriend uit mijn studententijd vertelde me eens dat hij extra moest gaan bijlenen bij DUO, omdat zijn vader het collegegeld niet meer wilde betalen. De onderbouwing voor deze onsympathieke beslissing? ‘Jongen,’ had de vader gezegd, ‘ik heb de indruk dat jij de nodige imponderabilia mist om deze studie tot een goed einde te brengen.’ Wat een opgeblazen figuur. En wat een flauwe manier om je zoon onderuit te halen, met zulke kritiek waar niemand wat mee kan. Maar wát een schitterend woord!

Natuurlijk moesten we opzoeken wat het betekende. Imponderabilia zijn onweegbare zaken; alles wat je niet kunt meten of wegen, maar wat toch meetelt. Het komt uit het Latijn: ponderare is wegen. Het is een woord waar je heerlijk over kunt mijmeren, waar je indruk mee kunt maken op andere woordenliefhebbers, of waar je, zoals die vader, een rookgordijn mee kunt optrekken. Je kunt er trouwens ook een performance over maken. Dat deden kunstenaars Marina Abramovic en Ulay in 1977. Ik mijmer nog even verder.

Woord van de dag: alumni

Alumni zijn afgestudeerde, oud-studenten van een universiteit of hogeschool. Het woord komt uit het Latijn en kent een mannelijke – alumnus – en een vrouwelijke – alumna – variant.

Gisteravond werd er op onze opleiding druk geborreld en genetwerkt. Niet nadat de aanwezigen – allen oud-studenten – geïnspireerd waren door twee young professionals. De één sprak over ‘the road to success’, een persoonlijke zoektocht, en het boek dat ze schreef (Babe, you got this). De ander boeide met een verhaal over de kracht en toekomst van influencermarketing. Iedereen enthousiast. Enige minpunt: er waren minder mensen komen opdagen dan ik had verwacht. Zou het liggen aan de uitnodiging? Daarop kondigden we een ‘alumni-event’ aan. Nu blijkt uit een intern onderzoek dat de alumni zelf niet weten dat ze alumni zijn… Gemiste kans dus, die ik met deze post hoop goed te maken: beste afgestudeerden, het volgende alumni-event is op 20 februari 2018.

 

Woord van de dag: antimakassartje

Collega Rob plaatste deze week op Facebook een sepiakleurige foto van zichzelf, lezend in een oude omroepgids en gezeten voor een ouderwets tv-toestel. De piepjonge Rudi Carrell op het scherm versterkt de suggestie dat het hier gaat om een kiekje uit de late jaren vijftig of vroege jaren zestig. Over de rugleuning van de gestoffeerde oorfauteuil waarop Rob zit, ligt een gehaakt doekje dat opvallend wit afsteekt tegen de rest van de foto: een antimakassartje.

Het Nederlandse antimakassartje is afgeleid van het Engelse antimacassar. Dat woord is gevormd uit het voorvoegsel anti-, dat ‘tegen’ betekent, en de naam Macassar. Die naam verwijst naar een in de negentiende en begin twintigste eeuw door mannen gebruikte haarolie. Deze makassarolie werd geproduceerd in de gelijknamige Indonesische havenstad. Een antimakassartje is in feite een soort antivetkuifkleedje: een lapje stof dat de rugleuning van fauteuils, sofa’s en canapés beschermt tegen vlekken veroorzaakt door de haarolie.

Oudere lezers herinneren zich misschien nog de aflevering van het Groot Dictee der Nederlandse Taal uit 1997, met als juryvoorzitter schrijfster Hella Haasse, waarin het woord antimakassartje voor veel deelnemers een struikelblok bleek te zijn. Het beschermende doekje was in die tijd ook al in onbruik, dus het is niet verwonderlijk dat (bijna) niemand wist wat het was, laat staan hoe het te spellen. De volledige dicteetekst, getiteld De Boekenwurm, lees je hier.