Selecteer een pagina

Woord van de dag: rauwdouwer

Vanavond is op NPO2 de documentaire Jolene te zien (20:55 uur). In Het Parool staat vandaag een stuk over barvrouw Jolene Niedick, de kop erboven: ‘Leven als rauwdouwer’. Ik dacht dat het ‘rauwdouw’ was, dus ik dook onmiddellijk in de spreekwoordelijke boeken. Wat blijkt, de oorspronkelijke vorm is ‘rouwdouw’, ‘rauwdouw’ mag ook en het achtervoegsel ‘-er’ is niet ongebruikelijk.

Een rouwdouw is een ruw persoon. Het is een Engels leenwoord, dat komt van row-dow of row-de-dow, lawaai, herrie. We spellen het woord hier ook als rauwdouw, wat waarschijnlijk komt door de associatie met rauw en douwen (ruw, hard duwen).

Volgens Het Parool is Jolene Niedick ‘een echte rauwdouwer met een plat Amsterdams accent, een doorrookte stem en overal tattoos. Geboren in de Kadijkenbuurt, opgegroeid als kind van twee verslaafde ouders, op haar zestiende moeder geworden, lid van de F-Side, barvrouw in een stripclub op de Wallen én afgestudeerd in de psychologie. Ze worstelt met een agressieprobleem en het feit dat ze is verlaten door haar stiefvader, de gewezen verslavingstherapeut Keith Bakker’.

Van zo’n leven ga je denk ik vanzelf rouwdouwen. Want wat niet fijn is, wordt snel grof.

 

Woord van de dag: boekensneuper

Zaterdag was er een antiquarische boekenbeurs in ons stadje. Dat is linke soep. Je gaat na de wekelijkse boodschappen op de markt ‘nog even een kijkje nemen’ en voor je het weet dwaal je uren rond tussen de boeken en overtreffen de uitgaven aan boeken ruimschoots de kosten van de boodschappen.

De schade bleef dit keer beperkt tot vijf kwartier neuzen en de aankoop van één prachtige uitgave: Ollie B. Bommel’s Fotoboek uit 1952. Daarin zet Marten Toonders Heer van Stand zijn eerste schreden op het pad van de fotografie. Met als toegift enkele wonderspreuken, zoals ‘Als het toestel beweegt, maken we een bewogen foto’.

Kortom, het was een fijne middag voor een boekensneuper. U zult dat woord niet aantreffen in de Dikke Van Dale. Wel het woord sneupen, afkomstig uit het Fries, dat struinen betekent.

De boekensneuper is iemand die volgaarne boekhandels en markten afstruint, op zoek naar fraaie en bijzondere uitgaven. De term kreeg een officiëlere status toen in 1989 het boekje ‘ABCDarium voor de boekensneuper’ verscheen. Auteur Ayolt Brongers bracht er alle wetenswaardigheden voor de boekenliefhebber in samen. De latere drukken kregen de titel ‘Boekwoorden woordenboek’. Maar de ondertitel luidt nog altijd: handleiding voor boekensneupers.

 

Woord van de dag: querulant

Toen ik nog bij het zakenblad Quote werkte – toch alweer twaalf jaar geleden- , ontving ik met enige regelmaat brieven, en de laatste jaren vooral mails, van mensen die meenden dat hun (groot) onrecht was aangedaan door bedrijven dan wel de overheid (dan wel het Koninklijk Huis).

Ook de andere redacteuren kregen post van boze burgers. Zij die er al wat langer werkten, hadden een eigen bestandje van “querulanten” opgebouwd met wie zij zich na verloop van tijd zelfs een beetje verbonden voelden.

Zij waren vooral geliefd vanwege het kleurrijke proza waarvan zij zich vaak bedienden, en een soms nog kleurrijkere fantasie – de echte mafklappers schreven lange, handgeschreven epistels in een griezelig net handschrift, met eindeloze verhandelingen over Prins Bernhard, en hoe deze medeverantwoordelijk was voor het nazileger dat onder de Noordpool werd gekloond.

Je kon als journalist het querulantenleger niet zomaar terzijde schuiven. Wie weet was het vermeende onrecht hun aangedaan helemaal niet zo vermeend, maar had er inderdaad ergens iemand in een bedrijf of overheidsinstelling vreselijk staan prutsen (of erger) waardoor onschuldige, ondernemende burgers zomaar het faillissement in werden gejaagd, huis kwijt, echtscheiding, verblijf in daklozencentrum, enzovoorts, enzoverder. Het kwám (en komt) voor.

Zo had ik een querulant wiens totale vermogen, ongeveer zeven miljoen gulden, in een beleggingsfonds van een grote verzekeraar was gestopt die daar zeer slordig mee was omgesprongen. De man was alles kwijt, had ook nog eens een advocaat gehad die op cruciale momenten de verkeerde beslissingen nam of niet thuis gaf.

Hij had met recht iets om over te klagen. Zijn tragiek: hij sprak de taal van het systeem niet, kreeg overal het spreekwoordelijke deksel op de neus. Ja, en dan ga je queruleren, met in zijn geval zeer grote persoonlijke gevolgen, waar ik nu niet op in wil gaan.

Sommigen querulanten van toen groeiden uit tot nationale bekendheden die journalisten van naam wisten te winnen voor hun klaagzang en hun complottheorieën, vaak twee handen op één buik. Hun naam noemen, is niet zonder gevaar; voor je het weet heb je tot in lengte der dagen hun digitale aandacht en die van hun volgelingen, want sociale media zijn de natuurlijke habitat waar querulanten aller landen elkaar eenvoudig weten te vinden.

Mooi woord, eigenlijk, querulant. Een gedicht op zichzelf met die zeldzame “q”, en dan die é-, ú- en áh-klank. Het stamt af van het Latijnse werkwoord “queror”, dat “klagen” betekent. Het woord “querulant” werd in 1793 binnen het Pruisische recht opgenomen in de betekenis van “iemand die voortdurend rechtszaken aanspant”.

Met dat type heb ik zelf ook te maken gehad toen ik eens voor Quote een vrouw interviewde die al tien jaar tegen haar ex procedeerde, twee keer tot aan de Hoge Raad, en die twee rechtszaken had gevoerd tegen voormalige advocaten, om na publicatie van mijn artikel ook tegen mij een kortgeding te beginnen, dat ze verloor (de leeftijden van de kinderen klopten niet helemaal in het stuk, slordig, maar geen halszaak).

Vroeger kende de psychiatrie het begrip “querulantenneurose”, dat het best kan worden vertaald als “volhardend dysfunctioneel klagen”. Dat dekt de lading eigenlijk wel mooi, want ook wij journalisten van Quote waren destijds onder de indruk van de volharding waarmee deze mensen hun noeste arbeid verrichtten – want dat was het vaak: klagen als vorm van dagbesteding.

Daar kan je lacherig over doen, maar mijn ervaring heeft geleerd dat échte querulanten meestal tragische wezens zijn, Don Quichottes tegen wil en dank die de strijd aangaan met het systeem omdat zij daar ooit, om wat voor reden dan ook, zijn vastgelopen. Het kan ons allemaal overkomen.

Eens een dievegge, altijd een dief

Heerlijk, die taalcolleges met tweedejaars studenten. Een van mijn favoriete onderdelen is ‘woordenschat’. Studenten nemen een voor hen onbekend woord mee dat ze die week zijn tegengekomen. Zo kwam onlangs ‘dievegge’ ter sprake; de student in kwestie had er echt nog nooit van gehoord. Ergens snap ik dat wel. Waarom een vrouwelijk woord als het geslacht er niet toe doet; je spullen ben je toch wel kwijt. De uitroep “Houd de dievegge!” ooit gehoord? Natuurlijk niet. Tegen de tijd dat je de laatste lettergreep uitschreeuwt, is de crimineel al lang uit het zicht.
‘Dievegge’ klinkt eigenlijk veel te chic voor de vaardigheden die erbij horen. Als je de betekenis ervan niet kent, zou je het misschien best op je LinkedIn-profiel willen zetten. En nu we het toch over beroepen hebben: ik neig sowieso naar gelijke behandeling bij dit type benaming. Een docent is een docent, een redacteur is een redacteur… daar heeft sekse niks mee te maken.
Overigens lijkt het vrouwelijke woord ‘dievegge’ tegenwoordig enig in haar soort. Andere woorden die in het Middelnederlands eindigden op -egge, -ege of -igge, zoals meestrege (meesteres) en tavernierigge (herbergierster), staan niet meer in ons woordenboek.
Ik hoor mensen al reageren: “Juist daarom moet ‘dievegge’ behouden blijven!” Best een dilemma voor de taalpurist in mij.

Woordenschat: Het placht van Boudewijn

“En de leraar die mij altijd placht te dreigen
‘Jongen, jij komt nog op het verkeerde pad’
Kan tevreden zijn en hoeft niets meer te krijgen
Dat wil zeggen: hij heeft toch gelijk gehad.”

— Testament, Nijgh/De Groot 1967

Deze regels zingt Boudewijn de Groot in zijn lied ‘Testament’. Altijd als ik ze hoor, denk ik: ‘De leraar die mij ‘placht’… wát?’ Uit de context snap ik wat het betekent, maar wat een vreemd woord; vreemd en ’n beetje ouderwets, in dezelfde categorie als ‘hij toog’ (in de betekenis: hij ging ergens heen). Op de site van Onze Taal lees ik dat het de verleden tijd van ‘plegen’ is. Maar dan alléén in de betekenis van ‘gewend zijn’, niet als het gaat om bijvoorbeeld een misdaad plegen.

Dit soort taalgebruik past goed bij Boudewijn de Groot, die met zijn messcherpe dictie en poëtische, gelaagde teksten (veelal geschreven door Lennaert Nijgh) zo’n beetje de leraar Nederlands van de muziek is. Als hij het zingt, klinkt het dan ook heel natuurlijk. Toch zal ik zelf niet snel ‘placht’ gebruiken in een mailtje naar collega’s of een snaaks gesprekje. Daarom deze blogpost: laten wij ‘placht’ koesteren!

 

 

 

 

Uitdrukking van de dag: Nieuwsgierig Aagje

Tijdens het nakijken van een opdracht voor het vak Tekstschrijven stuitte ik op een spelfout (‘nieuwschierig’) die me op de uitdrukking ‘nieuwsgierig Aagje’ bracht. Zelf nieuwsgierig geworden zocht ik de herkomst ervan op. Blijkt me daar toch een heel (zielig) verhaal achter te zitten. Avontuur! Hoererij! Diefstal! Slutshaming!

Het nieuwsgierig Aagje van Enkhuizen komt als personage voor het eerst voor in het 17e eeuwse kluchtboek De Gaven van de milde St. Marten (doorscrollen naar blz 17). Voor wie het ouderwetse taalgebruik een belemmering is, volgt hier een beknopte versie in hedendaags Nederlands.

Het verhaal speelt zich af tijdens het twaalfjarig bestand (1609-1621) in de Tachtigjarige Oorlog met Spanje. Aagje is een jonge vrouw uit Enkhuizen en getrouwd met een smid. In de buurt woont schipper Freek, die geregeld op Antwerpen vaart. Freek zit vol verhalen en Aagje wil die mooie stad wel eens met eigen ogen aanschouwen. Ze zeurt net zo lang bij haar man (‘lelde de Smit soo langh aen ’t hooft’) tot deze haar belooft dat ze mee mag met de buurman. De smid geeft Aagje honderd gulden, waarmee ze in Antwerpen materialen voor hem moet kopen.

In Antwerpen gaat het natuurlijk helemaal mis. Eenmaal aangemeerd aan de kaai gaat schipper Freek eerst zijn zaken regelen en belooft daarna Aagje rond te leiden door de stad. Het nieuwsgierige wicht kan haar ongeduld echter niet bedwingen en trekt er alleen op uit, in haar beste Enkhuizer goed en met de honderd gulden op zak. Het duurt niet lang of ze wordt aangesproken door een gladde Spaanse Brabander, die haar begroet met ‘nichteken’, de benaming voor hoer.

De naïeve Aagje meent echter dat deze sinjeur familie van haar is (ze had haar moeder horen vertellen over neef Ian van Spanje) en gaat in op zijn uitnodiging haar de stad te laten zien. Dan begint de ellende pas goed. Aagje belandt in een bordeel (‘t slimste hoerhuys’), wordt dronken gevoerd, misbruikt en beroofd van de honderd gulden, haar zilvergoed en mooie Enkhuizer kleren. ‘Neef Ian van Spanje’ gaat er schielijk vandoor en Aagje, nog steeds starnakel en buiten westen, wordt door de hoeren in een ‘bootsgesels kleetje‘ gehesen, krijgt een schippersmutsje opgezet, wordt in een bakermat gelegd en naar buiten gezeuld. Daar is ze het mikpunt van spot van passerende handwerkslieden.

Uiteindelijk ziet de onfortuinlijke Aagje haar buurman Freek langslopen, die haar nauwelijks herkent in die lompen. Eenmaal terug in Enkhuizen wordt het ‘avontuurtje zo veel verduystert als ‘t mogelijck was’, maar in Antwerpen lachen ‘Ian van Spanje’ en zijn confraters nog lang en smakelijk om de lotgevallen van ‘t nieuwsgierige Aagje van Enkhuizen. 

Luister hier naar het oorspronkelijke verhaal (7’30”):