Selecteer een pagina

De magische ganzenveer en de taalverrijkende fout

Wij IZOMW-docenten besteden een groot deel van ons wakende bestaan aan het nakijken van studentenwerk (en daar blijft het niet eens altijd bij: ik kijk soms ook in mijn dromen na, met een magische ganzenveer die ik in groene inkt doop. Ja duiders, kom er maar in). En dus komen we veel, héél veel taalfouten in het wild tegen. De meeste daarvan zijn gangbaar en saai: dt-fouten, samenstellingen, ‘ik ben opzoek’, ‘de tranen stroomde over mijn wangen’, dat werk. Fouten die ik zo vaak tegenkom dat ik ze in mijn slaap nog kan corrigeren.

Er is ook een andere categorie: de fouten die me juist even wakker schudden uit de nakijkroes. Zo schreef een student onlangs dat een maatregel ‘alleen maar a van rechts’ werkte. Ik veerde op alsof ik een dubbele espresso achterover had geslagen. ‘A van rechts’, waarom ook niet? Het doet denken aan woorden als asociaal, atonaal en a-relaxt, met zo’n A die ‘niet’ betekent. Zo kun je er met een beetje fantasie iets in lezen als ‘niet van rechts’, dus links, onhandig, sinister … alsof je probeert te knippen met de schaar in je verkeerde hand. Taalfout? Je reinste taalverrijking. Ik kon verkwikt weer verder.

Hoe zat het ook alweer? Toost/toast

Bijna alles is anders in tijden van corona, zo ook koningsdag. Dit jaar geen festiviteiten, geen handenschuddend vorstenpaar, geen basketballende prinsesjes en geen prinsen die aan een touw hangen. In plaats daarvan moest iedereen er zelf wat van  maken. En dat ging volgens mij best aardig.

De koninklijke familie liet ons ‘s middags meekijken bij een videoconferentie waarin prinses Beatrix de jarige op afstand feliciteerde en prins Constantijn een toost uitbracht op zijn jarige broer. En daarna bracht de koning op zijn beurt weer een toost uit op zijn familie en op iedereen die Nederland momenteel draaiende houdt. Kortom, er werd gisteren wat afgetoost.

In het Nederlands kennen we zowel een toost als een toast. Een toost is een zogenoemde heildronk, je drinkt op iemands gezondheid waarbij je enige lovende woorden uitspreekt. Een toast is een geroosterd sneetje brood, de verkleinvorm toastje een klein hartig koekje met iets erop dat geserveerd wordt bij de borrel.

Hebben beide woorden iets met elkaar te maken? Jazeker. Toost is een vernederlandsing van het Engelse woord toast. Tot in het begin van de vorige eeuw werd in Nederland een toast uitgebracht als er iets te vieren was, op zijn Engels. Later werd dat ‘een toost uitbrengen’. In het Engels heeft het woord toast meerdere betekenissen en kun je er zowel een heildronk als een geroosterde boterham mee aanduiden. Geen toeval, want in vroeger eeuwen deed men een stuk gekruid geroosterd brood in de wijn. Naar verluidt werd de wijn daar lekkerder door en het brood beter eetbaar.

 

Contempleren

Mijn studenten moeten voor mijn module Creatief Schrijven een “coronablog” schrijven. Om ze op ideeën te brengen, liet ik ze tijdens mijn online les in “the virtual classroom” gebeurtenissen noteren die ze de laatste weken hadden meegemaakt die direct of indirect met de coronacrisis te maken hadden. Ik legde ze uit dat het heus niet allemaal drama hoefde te zijn. Ook iets kleins, als een plotseling aangewakkerde liefde voor wandelen, was in feite al voldoende.

Ze mochten hun ideeën mailen. Daarna kregen ze allemaal even een beurt om een enkel idee toe te lichten. En wat bleek? Verrassend veel studenten hielden zich de afgelopen weken bezig met geestelijke zaken. Een student vond hernieuwde kracht in haar joodse geloof na het vieren van een online Seideravond (de start van het joodse paasfeest) in Zoom, een andere student vond rust en bezieling in “het kleine”, in het besef dat het tempo van de wereld plotseling vrij sterk was gedaald, weer een andere student leerde plotseling haar huisgenoten kennen, meisjes met wie ze al twee jaar samenwoonde maar die tot een paar weken terug dan wel geen vreemden waren, maar ook niet veel meer dan bekenden.

Bijna allen herkenden het gevoel dat wij mensen in deze tijd plotseling teruggeworpen worden op onszelf. Dat ervoeren ze niet als negatief. Ik liet ze een verhaal van mij lezen over een wandeling die ik zelf afgelopen week maakte. Ze moesten in de tekst de actie onderstrepen, de beschrijvingen en de contemplatie. Ik liet ze eerst het woord “contempleren” opzoeken. Een prachtig woord, vind ik, in de klank lijkt de onstoffelijke betekenis al besloten te liggen.

Onzetaal.nl legt het als volgt uit:

Contempleren ligt dicht bij mediteren: je bent het leven en de dingen innerlijk aan het overdenken, aan het beschouwen. Een bepaalde mate van (fysieke) afzondering is daarbij wel handig, en die afzondering ligt deels al in het woord contempleren zelf besloten: daar zit namelijk het Latijnse woord voor ‘tempel’ in, templum, en dat betekent in feite een ‘afgebakende ruimte’. In de Romeinse tijd was zo’n templum de plek waar priesters de vlucht van vogels bestudeerden om zo voorspellingen te kunnen doen. Later werd een tempel een heilige ruimte waar je afgezonderd was van de dagelijkse beslommeringen.

Prachtig, wanneer je contempleert maak je dus eigenlijk een tempel van je eigen hoofd. Ik moest denken aan een “gebeurtenis” die ik zelf ooit meemaakte ergens begin jaren negentig. De beroemde Engelse avonturier en reisschrijver Redmond O’ Hanlon signeerde zijn nieuwste werk in boekhandel Scheltema in Amsterdam. Ik had een boek van hem gelezen dat ik ter signering had meegenomen: Tussen Orinoco en Amazone – het enige wat me van het boek nu is bijgebleven is de angst van de schrijver voor een of ander minuscule visje dat tijdens het plassen in de rivier je urinebuis in kon zwemmen om aldaar zijn eieren te leggen.

Ik vertelde O’Hanlon een beetje beschaamd dat ik heel weinig had gereisd in mijn leven, sowieso nooit buiten Europa was geweest en in Europa zelf ook maar een beperkt aantal landen had bezocht. Hij schreef in mijn boek: For Binnert, who only needs his mind to travel the world. Of woorden van gelijke strekking, ik ben het boekje helaas kwijtgeraakt. Er zat iets heel geruststellends in die woorden.

Dat reizen in hun hoofd, dat is wat mijn studenten nu ook ervaren wanneer ze contempleren over hun leven. Ik ben benieuwd naar de werelden die ze daar aantreffen. Wie weet nemen ze er iets positiefs van mee naar de echte wereld, voor na de coronacrisis.

Buitenschaamte

Bij het vak mediapsychologie leren we onze studenten dat gedragsveranderingen ontzettend traag gaan, áls ze al mogelijk zijn. En kijk nou eens! De brave burgers van Nederland – wat zeg ik, van de hele wereld – gedragen zich voorbeeldig volgens de nieuwe normen. Natuurlijk blijft de taal niet achter, ook die past zich razendsnel aan. We verwelkomen nieuwe woorden en oude bekenden in een nieuwe betekenis:

Anderhalvemetersamenleving: keurig aan elkaar geschreven. Een paar weken geleden hadden we het nog over social distancing, nu is de anderhalvemetersamenleving ’het nieuwe normaal’. We blijven keurig op afstand. In India is die afstand overigens 1.80 m, in andere landen 2 meter. Daar hebben we hier gewoon de ruimte niet voor.

Buitenschaamte: even een frisse neus halen mag van Grapperhuis, maar als je andere frisseneushalers tegenkomt in de duinen of – oei – op het strand of de bollenvelden, voel je je toch opeens een overtreder.

Alles met corona: coronapatiënt, coronacrisis, corona-epidemie, coronabesmetting, coronavirus, coronamaatregel, coronatest, coronakucher, coronaboete, coronavaccin (toekomstmuziek), coronaseks (uit verveling). Als het tweede woord van de samenstelling een klinker is, gebruik je een verbindingsstreepje: corona-aanpak.

Exitstrategie: het is bekend hoe we hierin beland zijn. Maar hoe komen we er in godsnaam weer uit?

Indammen: geen nieuw woord, maar we gebruikten het in de letterlijke betekenis voor onze nationale trots, de waterwerken. Nu proberen we het virus in te dammen, dat blijkt een stuk weerbarstiger dan de Noordzee.

Juno: mal woord voor juni. Tot 1 juno mogen we geen grote bijeenkomsten hebben van minister Grapperhaus. Juno heeft zelfs een Twitteraccount.

Limo: staat voor Lunchen In Mijn Onderbroek. Geef toe, dit is wel echt een voordeel van deze hele toestand.

Mondkapjestekort: dit woord bestond misschien al wel in een schoonheidssalon of bij de tandarts, maar kon dan eenvoudig opgelost worden. Nu is het een algemeen woord dat we liever niet gekend hadden.

Het nieuwe normaal: geen handen schudden, ze wel wassen, afstand houden, thuis blijven. Ik vermoed dat de speechwriter van de premier de uitdrukking ‘het nieuwe normaal’ bedacht heeft. Chapeau! Van Ron Fresen op het NOS-journaal tot de AH-medewerkster die de karretjes uitdeelt, binnen een dag na de persconferentie was de uitdrukking in heel Nederland ingeburgerd.

Raamvisite, ook wel zwaaivisite genoemd. We kunnen niet meer op bezoek bij elkaar en alleen nog door het raam zwaaien naar oma. Niet fijn. Ook hiervoor geldt: jammer dat het moet, maar fijn dat het kan.

Testbeleid: op de hogeschool hebben we al jaren een toetsbeleid, maar een testbeleid voor heel Nederland is nieuw. Waar het op neerkomt: eerst werd bijna niemand getest, nu meer mensen, straks veel meer mensen.

Teststraten: afgekeken van Zuid-Korea, sowieso een gidsland in deze  crisis. Een teststraat is een soort McDrive in een parkeergarage waar mensen in hun eigen auto een Coronatest krijgen.

Thuiswerkexperiment: tja, we zullen wel moeten én we mogen niet piepen want we zijn dolblij dat we überhaupt werk hebben. Maar het is echt een gevalletje LIA (leuk is anders). Online onderwijs is alsof je met een blokfluit een symfonie van Beethoven speelt: je herkent de melodie, maar het is niet op the real thing.

Tijden: het zijn rare tijden, het zijn bizarre tijden, bijzondere tijden, vreemde tijden, moeilijke tijden, gekke tijden. Een maand geleden was tijd nog gewoon enkelvoud en hadden we een leuke tijd, nu is tijd meervoud geworden.

Videobellen: bestond natuurlijk al, maar doen we nu de ganse dag, met de collega’s, met oma en voor de vrijdagmiddagborrel. Meest gehoord: ‘ik zie je niet, zie je mij wel?’ ’Ik hoor je niet, hoor je mij wel?’

Zoomen: online vergaderen via de app Zoom deden we ‘in het begin’ (drie weken geleden) volop, totdat we ontdekten dat we een makkelijke prooi voor hackers waren.

Zorghelden: voorheen dokters en verplegend personeel. Nu ze elke dag in de frontlinie staan mogen we ze gerust helden noemen.

Zorgheldenauto: een gratis leenauto voor een zorgheld(in) zodat hij/zij niet met het OV naar het werk hoeft.

 

 

Jij en ik (en poes)

Nu zijn er natuurlijk veel redenen om nooit aan kinderen te beginnen. Nachtelijke verzoeken om een mug weg te jagen bijvoorbeeld, of lekkend softijs met spikkels waarvan de helft al in het zand is gevallen, of Bumba. Mocht je echter, zoals ik, een bovengemiddelde interesse hebben in taal, dan is een nakomeling misschien toch het overwegen waard. Ik blijf het althans fascinerend vinden om elke dag te aanschouwen hoe een kind, in casu mijn dochter van vierenhalf, wegwijs wordt in haar moedertaal. En het bijzondere is: hoeveel taalkundige zijweggetjes kinderen ook inslaan, uiteindelijk vinden ze allemaal hun weg.

Toen mijn dochter voor het eerst begon met praten, heb ik een paar maanden een lijstje bijgehouden van de woorden die ze gebruikte. Afgezien van klassiekers als ‘papa’, ‘die’ en ‘bah’, vermaande ze met anderhalf jaar kennelijk al regelmatig onze kater met ‘Nee nee, poes!’ Niet veel later, zo heb ik genoteerd, kon ‘nee poes’ echter ook iets anders betekenen, namelijk: ‘geen poes’, oftewel: poes is weg. Later maakte ze hier varianten op als ‘Papa nee baat’ (papa heeft geen baard) en ‘Nee doen!’ (niet doen).

Nog leuker werd het toen ze begon te experimenteren met de begrippen ‘ik’ en ‘jij’. Een geagiteerd ‘Jij doen!’ was dan geen opdracht aan mij, maar juist een teken dat ze iets zélf wilde doen – maar omdat de rest van de wereld haar natuurlijk aanspreekt met ‘jij’, dacht ze in eerste instantie dat dat altijd op haarzelf sloeg.

Inmiddels zijn we een paar jaar verder en ouwehoert ze menigeen de oren van het hoofd, inclusief onze al eerder genoemde kater. Het ‘nee nee, poes’ heeft inmiddels plaatsgemaakt voor: ‘Kijk poes, ik heb een tekening gemaakt. Vind je hem mooi? Poes? Kijk dan. Nee, hier.’ Als die na lang aandringen tenslotte reageert met een verveeld ‘mwow’, zegt ze triomfantelijk: ‘Zie je, hij zegt dat hij mijn tekening vet mooi vindt.’ We laten haar maar in de waan.

Doe maar (net alsof)

In bange en onzekere tijden knap ik altijd erg op van een flinke dosis nostalgie. Omdat ik van 1968 ben, waren de jaren tachtig van de vorige eeuw mijn vormende periode en dus richt mijn nostalgie zich vooral op films, muziek en mode uit die tijd.

Ook in de jaren tachtig was er veel onzekerheid en angst. Niemand van mijn generatie zou ooit een baan krijgen — zeker niet de kneuzen die een taal gingen studeren; er viel zure regen op je kop; de spinazie was radioactief door Tsjernobyl; we dachten nog dat je aids kon oplopen van een wc-bril; en als je als door een wonder al deze gevaren doorstond, dan viel De Bom en was alles tevergeefs geweest. Doemdenken, dat deed ik, dat deden we allemaal. En daar bleven we dan vaak toch wel weer opgewekt bij. Het was ook wel knus, met z’n allen op weg naar de afgrond.

De iconische jarentachtigband Doe Maar is een perfect voorbeeld van dat contrast: vrolijke, opzwepende reggae- en skamuziek met ronduit zwartgallige teksten over liefdespijn, drugsverslaving en maatschappelijke misstanden. Luister bijvoorbeeld eens naar ‘Doe maar (net alsof)’, van het album 4-us (!):

‘Je ziet in je krantje dat het
Allemaal uit de hand loopt
Je leest maar niet verder, want je
Je voelt het begin van wanhoop
Dan rook je een stickie en je
Vergeet wat je wilt vergeten (…)

Refr: Dus doe maar net alsof je neus bloedt (3x)’

Afgezien van het gedateerde woord stickie — zo noemden we een jonko vroeger — is deze tekst in z’n moedeloze paranoia hélemaal 2020. In het refrein lijkt het alsof de corona-ontkenners rechtstreeks worden aangesproken, de covidiots die tegen beter weten in doen alsof hun neus bloedt. ‘Er gaan ieder jaar mensen dood aan griep, we gaan lekker naar het strand’, die types.

De uitdrukking ‘doen alsof je neus bloedt’ betekent: je bewust ergens niks van aantrekken. Onze Taal geeft als equivalent ‘van de prins geen kwaad weten’, maar je zou ook kunnen zeggen ‘doen alsof je gekke Gerretje bent’ of ‘je van den domme houden’. Onverstandig en onverantwoord in tijden van COVID-19. Ik zeg: lekker binnen blijven en een plaatje draaien. Al dan niet met een Nederwiet-stickie, voor het echte eighties-gevoel.

Quarantaine

Quarantaine. Sinds de opmars van het coronavirus COVID-19 komt dit Franse leenwoord dagelijks voorbij in de media en onze gesprekken. Het getal veertig zit erin, quarante. Dat verwijst naar de veertig dagen die schepen in bewaakte afzondering in de haven moesten doorbrengen, na een overzeese reis. Op deze manier wilde men voorkomen dat de zeelieden besmettelijke ziekten uit verre oorden mee aan wal zouden nemen. 

Het moet voor dat scheepsvolk niet eenvoudig zijn geweest om na een lange tocht nog eens veertig dagen met de rest van de bemanning in isolatie door te brengen. Weken of maanden op zee was al een fysieke en mentale uitputtingsslag -zo comfortabel was het niet op zo’n middeleeuws vrachtschip- en dan ook nog eens veertig dagen noodgedwongen aan boord blijven in het zicht van de haven. Je moet er niet aan denken. 

Zwarte dood

De quarantaine-maatregel ontstond in de veertiende eeuw in Italië en werd later overgenomen door Frankrijk en andere landen. In die periode raasde de Zwarte Dood door Europa: de pest. De veertiende eeuw was sowieso geen gezellig tijdperk. De Honderdjarige Oorlog, gedonder tussen pausen en tegenpausen, plunderende huursoldaten, boerenopstanden, mislukte oogsten, hongersnood. En dus de pest, die woedde tussen 1346 en 1351. 

In tegenstelling tot COVID-19 werd de pest niet veroorzaakt door een virus, maar door een bacterie, die van zwarte ratten door vlooien werd overgebracht naar mensen. Daar kwamen wetenschappers trouwens pas honderden jaren later achter. Bacteriën zijn immers niet zichtbaar met het blote oog en de microscoop moest nog worden uitgevonden.

Net als het nieuwe coronavirus, ontstond de pest in Azië. En net als bij COVID-19 werd in Europa Italië als eerste zwaar getroffen. Een Genuees koopvaardijschip kwam in 1347 vanuit de Zwarte Zee aan in de haven van Messina op Sicilië, met aan boord ernstig zieke zeelieden. Die hadden dikke zwarte gezwellen op hun lichaam, waar pus en bloed uit kwam. De zieken kregen inwendige bloedingen en stierven in korte tijd een gruwelijke dood. 

Fake news

De pest werd aanvankelijk als een straf van God gezien. Joden leken minder vaak ziek te worden (dat zou verklaard kunnen worden door hun strenge reinigingswetten en betere hygiëne, een verder nog onbekend concept in de veertiende eeuw) en dat was verdacht. Als fake news avant la lettre deed het verhaal de ronde dat de Joden overal in Europa waterbronnen vergiftigden, om zo christenen om het leven te brengen. Er werden progroms uitgevoerd, vooral in Zwitserland en Duitsland. Joodse gemeenschappen werden vernietigd, de Joden verjaagd of levend verbrand en hun bezittingen ingepikt. Naar schatting 16.000 Joden kwamen om het leven door dit geweld. Intussen woedde de pest onverminderd voort en eiste alleen al in Europa tientallen miljoenen levens, naar schatting eenderde van de bevolking. 

Hoe afschuwelijk en ontwrichtend ook, door het massale verlies aan arbeidskrachten werden in die tijd de eerste stappen naar mechanisatie en daarmee naar de moderne tijd gezet. De pest inspireerde schrijvers als Boccaccio en leidde tot nieuwe inzichten: alle zekerheden zijn twijfelachtig.

Woord van de dag: roemoer

Binnen afzienbare tijd worden alle tentamens van onze opleidingen digitaal afgenomen, maar dit studiejaar moeten de studenten nog gewoon tentamens met de hand schrijven. Zij krijgen een lamme hand en wij krijgen lamme ogen van het ontcijferen van de moeilijke handschriften.

Voordeel is wel dat je op deze manier prachtige verschrijvingen ziet. Niet alleen van de categorie Aristoteles/ Arostiteles/Aresteles/Arestitelos,/Arostes of expirument/expiriment/expirement, maar soms echte verbeteringen.

Vandaag las ik roemoer in plaats van rumoer. Waarom heet dat niet echt zo?

 

 

 

Vlotte jumper

Een etalage van een ouderwetsige modezaak prijst truien aan met het bordje: ‘vlotte jumpers’. Nou, dan heb je me hoor. Jumper! Ik dacht dat het woord totaal was uitgestorven.

Een jumper is een damestrui, niet te verwarren met een jumpsuit. Dat is een overall, niet voor op de trekker maar een hippe voor naar je werk. Het woord jumper komt al sinds het begin van de twintigste eeuw voor in het Nederlands. Je spreekt het uit met een Nederlandse j, jumpsuit spreek je uit als djumpsoet. Het zijn allebei kledingstukken om makkelijk aan te schieten (je springt er zo in) , maar die jumpsuit moet je bij elk plasje natuurlijk wel weer helemaal uit doen.

En dan dat heerlijke ‘vlot’. Wij kennen het woord vlot als een drijvend gevaarte. Maar onze opa’s en oma’s gebruikten het om hun waardering uit te drukken: een vlot meisje met een vlotte jumper en een vlotte paardenstaart. Ze bedoelden natuurlijk gewoon ‘chill’. Mieters, hè?

 

 

Hoe zat het ook alweer? Epicentrum/episch centrum

Het was u wellicht ontgaan, maar er is heuglijk nieuws te melden vanuit Epe. De gemeente krijgt namelijk een ‘Episch centrum’! Op de plek waar ooit restaurant De Middenstip zat, aan de Hoofdstraat, wordt een buurthuis gerealiseerd. Het idee is afkomstig van de plaatselijke ondernemer Michiel de Jong, die veel tijd en geld in steekt in zijn levensdoel.

Met zo’n naam kan het natuurlijk niet misgaan. Want los van de woordspeling: goed dat we de term ‘episch centrum’ nu eens correct gebruikt zien worden. Want zodra er ergens een aardbeving is, kom je altijd wel in een bericht tegen dat het ‘episch centrum’ daar of daar lag. Terwijl bedoeld wordt: het epicentrum.

Een epicentrum is een plaats aan het aardoppervlak vanwaaruit aardbevingsgolven zich over de aarde verbreiden, aldus Van Dale. Episch is afgeleid van epos: een heldendicht. Het werd oorspronkelijk gebruikt om kunstvormen aan te duiden (een episch gedicht, episch theater), maar tegenwoordig heeft episch een bredere betekenis en kun je ook spreken van een episch feestje: groots, spannend, opwindend. Kortom, dat gaat wat worden, daar in Epe.