Selecteer een pagina

“Woke”

Ben ik “woke”? Wellicht, ja. Ik hoop althans dat ik door de jaren heen, zo aan de vooravond van mijn vijftigste verjaardag, een beetje “woke” ben geworden. Maar dan wel “woke” op de manier zoals ík het begrip interpreteer: oog hebben voor de ander, jezelf niet zien als de maat der dingen, je realiseren dat in deze samenleving mensen van kleur nog altijd worden gediscrimineerd, gedurende hun leven in meer of mindere mate te maken krijgen met racisme en stereotyperingen.

Vooral oog hebben voor een ander en jezelf niet als de maat der dingen zien, beschouw ik als een voorwaarde voor een “woke” leven. Je hebt mensen die zeggen: “IK mag ‘neger’ zeggen, want IK ben geen racist. Bovendien ben IK bevriend met negers die zichzelf ook neger noemen.” Dan heb je geen oog voor anderen en beschouw je jezelf als de maat der dingen, want je doet niet eens een poging te begrijpen waarom het voor een ander helemaal niet zo plezierig is wanneer jij het woord “neger” gebruikt.

Ik beschouw “woke” als een bijvoeglijk naamwoord, ook al klinkt dat in een zin niet zo lekker: “Dat is een heel erg woke meisje.” Beter kan je dan schrijven: “Dat meisje is heel erg woke.” Dus als het naamwoordelijk deel van een naamwoordelijk gezegde.

Op sociale media heeft “woke” verschillende betekenissen. Er is één ronduit negatieve interpretatie van het begrip. Bovendien is het in die interpretatie van bijvoeglijk naamwoord veranderd in een zelfstandig naamwoord: “Woke” wil de vrijheid van meningsuiting afschaffen. “Woke” is hier een niet nader gedefinieerde groep mensen die vooral wordt geassocieerd met #BLM, Black Lives Matter, en soms ook als een synoniem daarvoor wordt gebruikt. #BLM wordt door mensen die “woke” op deze manier interpreteren ook gezien als een strak georganiseerde, semi-terroristische mantelorganisatie van “Antifa” die allerlei in stenen tafelen gebeitelde dogma’s aan ons wil opdringen: zwarte mensen zijn beter dan witte mensen, witte mannen zijn per definitie racistisch en moeten hun mond houden, je mag als witte mens nooit je haar in Afrikaanse staartjes vlechten want dan doe je aan “cultural appropriation”.

Dit rigide beeld van zowel het begrip “woke” als van Black Lives Matter, laat geen ruimte voor nuances. Beide worden neergezet als het kwaad. En daarbij blijft totaal onduidelijk om welke mensen dit gaat. Wie bedoel je precies? En waarom verdienen zij deze kwalificatie? Tante Marie-Claire uit Bloemendaal heeft ook op Instagram een zwart vierkant gepost met de hashtag #BLM. Is zij ook “tegen” witte mensen?

In de heftige discussies over de grote onderwerpen van deze tijd – racisme, integratie, vluchtelingen, klimaat, terrorisme – is taal vaak een wapen dat eerder verhult dan verduidelijkt. Aan de ene kant omdat sommige abstracte begrippen in die strijd door verschillende mensen, al dan niet bewust, verschillend worden geïnterpreteerd, en aan de andere kant omdat abstracte begrippen sowieso online de twistgesprekken domineren en als bliksemschichten op elkaar worden afgevuurd: Iemand is niet “woke”, “woke” wil “onze vrijheid” afpakken, de samenleving “islamiseert”, “regressief links” heult met “de radicale islam”, “complotdenkend rechts”, “rechtswappies”, “Antifa”. Door online discussies met deze termen te framen, creëer je eerder mist dan helderheid.

Taal is uniek. Het is een wonder dat wij mensen bepaalde klanken en tekens hebben bedacht waarmee wij de wereld om ons heen kunnen duiden en er met elkaar over kunnen praten. Maar tegelijkertijd is taal ook levensgevaarlijk, omdat je haar kunt gebruiken om de ander buiten te sluiten. Oorlogen zijn ontstaan door ontsporend taalgebruik. En hoe abstracter de taal in een conflict, des te groter het onbegrip en de kans op escalatie. Om die reden gebruik ik het woord “woke” liever niet.

Peilen of pijlen?

Over drie weken moeten zo’n 1000 tweedejaars studenten van onze opleidingen Communicatie en Creative Business op stage. Dat is normaal gesproken al geen sinecure, maar ‘door de situatie rondom de corona’s’ – zoals een studente mailde – wordt het er niet gemakkelijker op. Een andere student schreef me dat hij na vier sollicitaties de moed begon te verliezen, hij had nog van een bedrijf niets gehoord, maar, zo stond er ‘… ook bij deze stage kan de pijl er niet op getrokken worden’. Ik begreep onmiddellijk wat hij bedoelde, al stond het er niet. Deze jongen weet niet waar hij aan toe is – hij kan er geen peil op trekken. Het peil is het vaste punt aan de kust waarop zeelieden zich richten als ze willen bepalen waar het schip zich op zee bevindt. Als je zo’n punt niet hebt, raak je uit de koers. Een terechte zorg. Dus richt ik mijn pijlen (langwerpige, puntige voorwerpen om met een boog naar een doel geschoten te worden): op u: mocht uw bedrijf nog op zoek zijn naar een getalenteerde communicatie- of mediaprofessional in spe die goed is in social media, schrijven, audio, video, marketing, communicatieadvies en nog veel meer, zet uw stagevacature dan op onze Stage Facebookpagina).

Woordenboekspel 13 oktober 2020

Het Ikzegookmaarwat-Woordenboekspel!

Wat is de betekenis van het woord aalt?

 

Gragedaan

Als je lesgeeft aan eerstejaarsstudenten, is er altijd eentje die extra waakzaam is. In het pedagogisch-didactisch jargon noem ik dat de ‘rots in de branding’: zo iemand die beter dan de docent weet wanneer deadlines zijn en hoe de weging is van een bepaalde toets. Rotsen in de branding zijn  warmbloedige elementen ten faveure van de groepsdynamiek, het nadeel is dat ze het zonder jou ook wel redden.

Ik had contact met zo’n rots, die mij in al haar schoolvlijt een bericht stuurde over informatie die ontbrak op een webpagina – dat gebeurt helaas nogal eens. Ik bedankte haar voor haar waakzaamheid. Ze antwoordde met “Gragedaan”. Een antwoord dat me zeer fascineerde.

Ik herinnerde mijn verbazing, het moet ergens vroeg in de jaren 80 geweest zijn, dat ik als kind ontdekte dat “alsjeblieft” een gecomprimeerde versie van de zin “als het je belieft” bleek (al zal ik als kleuter het begrip “comprimeren” niet hebben gekend, maar u begrijpt me).

Alsjeblieft, welterusten, vaarwel: in de grammatica hebben ze de functie van tussenwerpsel. Deze rots in de branding voegde nu in al haar goedheid misschien ook “gragedaan” aan het rijtje toe.

Veronderstelde zij werkelijk dat het altijd vlot uitgesproken “graag gedaan” kon worden weergegeven als “gragedaan”? Dacht ze dit, ondanks haar rol als rots in de branding in het eerste jaar, of was het gewoon een creatieve, gemakzuchtige tikfout? Ik wilde de illusie niet ontmantelen. Leidt dit bij u nu tot opwinding en discussie over het taalniveau van studenten?

Gragedaan.

Een euro meer of minder

                                             

Normaal gesproken word ik niet echt warm of koud van zulke advertenties. Deze keer wel. Niet omdat mijn maag rommelt, maar omdat mijn brein gromt. Sinds wanneer schrijven we het euroteken achter het bedrag?
Had er 10 euro en 15 euro gestaan, dan was het prima geweest. Wel met een spatie ertussen. Maar in Nederlandse teksten staat vóór het bedrag. Ook met een spatie ertussen trouwens: € 10 en € 15. Officieel horen daar nog de komma en het streepje achter, het zijn immers hele bedragen: € 10,- en € 15,-  (een kniesoor die dáár op let 😉; in België doen ze er sowieso niet aan). Schrik niet als je ook EUR tegenkomt. Dat is in orde, tenminste, in financiële teksten, zo lees ik tot slot op taalavdies.net.

Afijn, er gaat iets mis in deze schreeuw om aandacht, maar het moet gezegd: met de werkwoordspelling zit het dan weer wél goed.

Riante living

Er is weinig zo lekker als een rondje huizen kijken op Funda. Vooral op momenten dat ik het eigenlijk heel druk heb, gaat er niets boven een halfuurtje ongegeneerd loeren in andermans woon- en slaapkamers – wat trouwens ook het leukste is van dat hele online onderwijs.

De letters HOME in de vensterbank, de strategisch geplaatste koffietafelboeken, plus de wetenschap dat alle rondslingerende zooi voor de foto naar de andere kant van de kamer is geharkt: heerlijk.

Waar ik vooral vrolijk van word is het typische makelaarstaaltje. Funda is een feest voor iedereen die van taal houdt, in het bijzonder van ronkend verkopersjargon. In gedachten zie ik altijd een tikje corporale dertiger in een Suit Supply-pak, die mij handenwringend probeert warm te maken voor ‘de riante living’ en de keuken ‘met moderne inbouwapparatuur’.

Verder valt op dat makelaars een uitzonderlijk grote voorkeur hebben voor de woorden ‘welke’ en ‘middels’. Zo zag ik voorbijkomen: ‘Geweldig appartement welke direct te betrekken is. (…) Middels de entree van het appartement bereikt u de royale hal. (…) Vanuit deze riante kamer heeft u een prachtig uitzicht middels de erker aan de voorzijde.’ Vanwaar die fetisj met dat malle, ambtelijke taalgebruik?

Bij een huis in het duurdere segment (over jargon gesproken) staat: ‘In de hal treft u een separaat toilet met fontein (…) Op de vierde verdieping is de woning voorzien van een fijne zolderkamer, welke thans in gebruik is als kantoor- en logeerruimte.’ Ik denk dat er überhaupt geen mensen zijn van na 1948 die het woord ‘thans’ nog gebruiken.

Het is een veelvoorkomende misvatting dat je extra professioneel overkomt als je dure woorden gebruikt. Ik word er een beetje lacherig van, terwijl dat me juist niet de bedoeling lijkt. Iemand die mij een huis wil verkopen met de tekst ‘Geheel onder architectuur verbouwd tot in de details’ kan ik, eerlijk gezegd, niet heel serieus nemen. Klinkt lekker, maar wat stáát er in godsnaam?

Wel jammer van dat huis van 1.6 miljoen. Ik zag mezelf al helemaal zitten in mijn riante living.

 

Versteend

Ons taalblog bestaat sinds januari 2014 en de uitdrukking in levenden lijve hebben we in de eerste zes en een half jaar van ons bestaan nooit gebruikt. Maar rond de zomer dook in levenden lijve tot twee keer toe op in blogposts.

Dat heeft uiteraard te maken met de huidige omstandigheden. Het is niet meer vanzelfsprekend dat je iemand in levenden lijve ziet. Ik constateerde dat de uitdrukking ook meer dan gemiddeld voorkwam in mijn berichten aan anderen: “Ik hoop je snel weer eens in levenden lijve te zien.”

Dat weet ik omdat ik altijd nauwkeurig check of ik de uitdrukking goed heb geschreven. En dat de spellingscorrectie er niet iets anders van maakt. “Ik hoop je snel weer eens in levende lijven te zien” is geen fijne afsluiter.

In levenden lijve is een voorbeeld van een zogenoemde staande of versteende uitdrukking. Volgens de huidige regels van spelling en grammatica klopt het niet, maar het is wel geaccepteerd Nederlands. Ooit klopte de uitdrukking namelijk wel en we hebben er geen afscheid van genomen.

Veel versteende uitdrukkingen hebben oude naamvalsvormen die we nu niet meer kennen in het Nederlands.

In vroeger tijden kregen bijvoeglijke naamwoorden die bij een mannelijke of onzijdig zelfstandig naamwoord hoorden, na een voorzetsel de uitgang -en. In levenden lijve dus, en ook in groten getale en met voorbedachten rade.

Bijvoeglijke naamwoorden die bij een vrouwelijk zelfstandig naamwoord hoorden, kregen na een voorzetsel de uitgang -er. In vroeger tijden dus, en ook te goeder trouw en van ganser harte.

Die naamvallen hadden we volgens Nicoline van der Sijs, die onderzoek doet naar de geschiedenis van onze taal, te danken aan het Duits. In de zeventiende eeuw kwamen veel immigranten, onder wie bijbelvertalers, uit het oosten naar Hollandse steden.  Het Duits kende ook toen al mannelijke en vrouwelijke woorden en naamvallen.

Het Nederlands had die niet, maar taalkundigen in die tijd beschouwden dat als een tekortkoming. Een beschaafde taal had naamvallen, zo vonden ze. En een onderscheid in mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden. En zo lukte het sommige vooraanstaande lieden in de zeventiende en de achttiende eeuw om de standaardtaal stevig te beïnvloeden, aldus Van der Sijs.

Maar heftige twisten over hoe we iets moeten schrijven zijn van alle tijden, dus niet geheel verrassend ontstond er op een gegeven moment een anti-naamvallenbeweging.

Belangrijke vertegenwoordiger van die stroming was taalkundige Roeland Anthonie Kollewijn. In 1891 publiceerde hij het uiterst lezenswaardige en verrassend actuele opstel Onze lastige spelling. Een voorstel tot vereenvoudiging, ook online te lezen.

Daarin pleit Kollewijn ervoor dat de spreektaal leidend moet zijn. En niet allerlei gekunstelde regeltjes van de heren De Vries en Te Winkel, die de spellingsvoorschriften van die tijd hadden bedacht.

Verschil tussen de en het: prima. Maar dan ook nog een onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke woorden? Met consequenties voor de uitgang van het bijvoeglijke naamwoord? Hou eens op! Dat ze het in andere talen zo doen, dat moeten de Fransen en de Duitsers weten, maar val ons Nederlanders er niet mee lastig.

Evenals wij reeds als kleine kinderen (niet op school, maar in ‘t ouderlijk huis) voor altijd leeren, wanneer wij het en wanneer wij de moeten zeggen, leert de Franschman wanneer hij le en wanneer la, de Duitscher wanneer hij der, des, dem, den, die of das gebruiken moet. Vraag een Duitschen polderjongen of men zegt der of die Kittel en hij zal u het antwoord niet schuldig hoeven te blijven; vraag een beschaafd Nederlander of gij schrijven moet: “de jongen trok een schoone of een schoonen kiel aan” en hij zal u zeggen: “ik geloof. . . maar zeker weet ik het niet;” of: “kijk maar eens in de Vries en te Winkel.”

Het duurde even voordat Kollewijn zijn zin kreeg. Maar in 1934 gaf de toenmalige minister van Onderwijs Marchant zijn fiat aan de meeste voorstellen van Kollewijn, zodat die leidend werden in het onderwijs in Nederland. Scholieren hoefden niet meer te weten of een woord mannelijk of vrouwelijk was en het bijvoeglijk naamwoord dus op -e, -en of -er moest eindigen.

De versteende uitdrukking kent voor- en tegenstanders. Zo schrijft de redactie van de site beterspellen.nl: “De [versteende] uitdrukkingen hebben vaak een officieel tintje, maar dat kan ook worden opgevat als oubollig. […] Het is vaak beter om gewoon te schrijven wat je bedoelt.” En dan volgt een lijstje met suggesties zoals noodgedwongen voor in arren moede en in eigen persoon voor in levenden lijve.

Tsja… Taal is wat mij betreft niet louter functioneel, maar evenzeer een creatieve uiting, een manier om wat kleur en franje in het leven te brengen, een blik op het verleden. Dus het zal duidelijk zijn: ik ben blij dat de versteende uitdrukkingen de tand des tijds doorstaan.

 

Asjemenou!

Tijdens een online les liep mijn laptop vast in een PowerPoint-presentatie. Mijn publiek, bestaande uit 28 voor mij onzichtbare studenten, hoorde me gelukkig geen grove vloek of verwensing uiten, maar een decent ‘asjemenou’. Beter dan iets met ‘corona’ of een andere ziekte (zie de vorige aflevering van Ik zeg ook maar wat ).

Asjemenou is dan ook geen keiharde verwensing, maar een braaf tussenwerpsel. Oudere lezers associëren asjemenou vast met Loeki de Leeuw, die van 1972 tot 2004 te zien was in korte filmpjes in de reclameblokken van de STER. Hij had weinig tekst en zijn vaste kreet was ‘asjemenou’. 

Het is een uitroep van verbazing, die voor het eerst in een Nederlands woordenboek werd opgenomen in 1950. Om precies te zijn in de zevende druk van het Van Dale Groot Woordenboek. Chips (‘gebakken aardappelschijfjes’), knoeipot, piemelnaakt en snipverkouden verschenen dat jaar eveneens voor het eerst in de Van Dale. (Uitdaging: maak een goedlopende zin met daarin asjemenou en de andere debutanten uit 1950).

De stijlfiguur waar asjemenou/als je me nou… van afstamt is een interessante: de ellips. Dat is een onvolledige zin, waaruit vaak het onderwerp, de persoonsvorm of beide zijn weggelaten. In geschreven teksten wordt een ellips vaak als taalfout beschouwd. Maar elliptische zinnen lezen doorgaans wel lekker. Ze zijn kernachtig en to the point. Vooral teksten die kort en pakkend moeten zijn, zoals krantenkoppen, berichten op social media en reclamekreten wemelen van de ellipsen. In spreektaal zijn ze helemaal alom aanwezig

‘Wanneer is de deadline voor Ik zeg ook maar wat?’

‘Vanmiddag.’ (In plaats van ‘vanmiddag is de deadline voor Ik zeg ook maar wat.’)

‘Asjemenou!’

NB: Vanaf 20 oktober is in het Noordbrabants Museum een tentoonstelling te zien, getiteld ‘Asjemenou! De Nederlandse populaire cultuur in 100 voorwerpen.’ 

 

Coronabitch

Dag lezer,

Daar zijn we weer. Ja, hier op het blog dan, want op ons werk zijn we nog lang niet. We werken thuis, geven thuis les en spreken onze studenten digitaal. Vanochtend had ik zowaar een ontmoeting in levenden lijve met een student en ik verheugde me erop alsof het een uitje was.

Popelend en keurig bemondkapt stond ik op de pont over het IJ. Die voer vervolgens niet uit omdat een reiziger weigerde een mondkapje te dragen. Er ontstond commotie onder de andere reizigers, ja, het werd écht een uitje. ‘Schiet op, coronabitch,’ riep iemand. ‘Dat coronawijf wil geen kappie op,’ zei een ander. De vrouw in kwestie mompelde: ‘kanker op met je corona’ en deed toen toch maar een kapje op. Toen de boot eenmaal voer, deed ze het stiekem weer af. Een kleuter in het lichaam van een 35-jarige vrouw. Wij – de andere reizigers – rolden met onze ogen. Niets verbroedert zo als een gezamenlijke vijand.

Nederlanders schelden het liefst met geslachtsdelen en ziektes: tyfus, tering (van tuberculose), pest, klere (van cholera), pleuris (longontsteking), kanker. Corona is natuurlijk de nieuwe loot aan de stam.

Tot nu toe heb ik corona als scheldwoord vooral gehoord in samenstellingen om personen aan te duiden (coronawijf, coronalijer). Alle andere genoemde ziektes kun je ook zo gebruiken. Maar tyfus, tering en klere kun je ook nog zelfstandig als uitroep gebruiken (‘tyfus, wat een dag’). Pleuris kun je als werkwoord gebruiken (pleur op). Kanker ervaren veel mensen als een zeer ongepast scheldwoord, en daar hebben ze gelijk in. Maar het is wel de meest veelzijdige van het stel. Je kunt het gebruiken in een samenstelling (kankerkop), als werkwoord (opkankeren) en als uitroep (kanker, wat een gore frikandel). En gek genoeg kun je kanker ook positief gebruiken (kankervet), dat is wel ziek natuurlijk.

Welke kant het met corona opgaat, is nog ongewis. Ik vermoed dat het een onschuldig scheldwoord blijft. ‘Corona, ik ben mijn sleutels vergeten’ klinkt te veel als chips-in-plaats-van-shit-zeggers. Maar ‘corona een eind op‘ klinkt eigenlijk best wel lekker.

Vanaf deze week zal er op Ikzegookmaarwat weer wekelijks een stukje verschijnen. We hebben nieuwe bloggers en kijken uit naar hun bijdrages. We wensen jullie een coronagoed schooljaar.