Selecteer een pagina

Vademecum

‘Gebruik het vademecum van collega B.’ hoorde ik laatst in de wandelgangen. Deze collega heeft een boekje voor studenten ontwikkeld, waarin allerhande spelling- en stijlkwesties keurig worden uitgelegd.

Echter, door mijn katholieke roots hoorde ik ‘Vader Mecum’ – en zag een goedlachse grijsaard in klerikale kledij voor me. Helaas kwam ik van een koude kermis thuis: vademecum is geen zielenherder maar een naslagwerk, vernoemd naar het Latijnse ‘ga met mij’. Het vademecum is vaak een naslagwerkje van beperkt formaat, waarin specialistische informatie in overzichtelijke en beknopte vorm wordt weergegeven.

Maar ik noem het gewoon ‘De Bijbel van B’.

 

Fiets

Tijdens een les Tekstschrijven stelde een student een vraag over de naderende taaltoets die alle eerstejaars moeten afleggen. Na mijn uitleg klonk er een opgewekt: “Oh, op die fiets.” Het is in mijn beleving twintig jaar of zelfs langer geleden dat die uitdrukking gemeengoed was, tegenwoordig hoor ik haar zelden meer. Zeker niet uit de mond van jongeren. De herkomst van op die fiets in de betekenis van op die manier is onduidelijk. Het zou Rotterdamse straattaal zijn, maar dat is niet zeker.

Wat me vooral frappeert is dat het ontstaan van het woord ‘fiets’ in nog dikkere nevelen is gehuld. Al sinds het rijwiel in de negentiende eeuw een plaats in het straatbeeld veroverde, wordt er gediscussieerd over de naam. In 1869 deed hoogleraar Matthias de Vries een oproep in het Leidsch Dagblad om een alternatief te verzinnen voor het Franse vélocipède: “In den mond des volks zou het binnenkort onvermijdelijk tot vloospeet verbasteren, en daarmede zou de taal weinig gediend zijn!” De Vries stelde wieler voor. De volksmond bepaalde anders: het werd fiets.

De eerste waarnemingen van fiets en viets in spreektaal dateren van 1870 (Apeldoorn) en 1871 (Leeuwarden). In 1885 herhaalde een andere Leidse hoogleraar de oproep om (rij)wieler te gebruiken, maar toen was het al te laat. In 1886 verscheen het als viets voor het eerst in gedrukte vorm in de Arnhemse Courant en een jaar later als fiets. De naam fiets ‘dreigde het woord rijwiel te overvleugelen,’ zo stelde het tijdschrift Noord Zuid twee jaar later vast.

Maar waarom fiets?

Je zou toch denken dat de herkomst van de naam voor het populairste vervoermiddel in dit land glashelder is, maar nee. Tot op de dag van vandaag breken taalkundigen zich het hoofd over de fiets. Is het toch een verbastering van het Franse vélocipède? Komt het uit een Zuid-Limburgs dialect (vietse: hard lopen, zich snel voortbewegen)? Is het afgeleid van de Wageningse smid en rijwielverhuurder Elie Viets? Van de Apeldoornse fietsvereniging ‘La Vitesse’? Of een onomatopee van een snelle beweging: fts! Voor geen van deze hypothesen blijkt hard bewijs te zijn.

Zes jaar geleden kwamen twee Gentse hoogleraren met een nieuwe theorie. Zij meenden dat fiets zijn oorsprong vindt in het Duitse Vice-Pferd. De fiets kan ten slotte als alternatief vervoermiddel voor het paard worden beschouwd. De bewijzen die de Vlaamse professoren aandroegen voor hun ontdekking werden door Nederlandse taalkundigen afgedaan met een smalend ‘joh, ga toch fietsen’.

Hoe zat het ook alweer? Het boek wat/dat

‘Ik heb een boek gelezen wat hilarisch was’, tipt een student me. Ik schiet in de lach. Ze bedoelt natuurlijk dat het boek hilarisch is, maar feitelijk staat er dat het hilarisch was dat ze een boek las.

Veel studenten vergissen zich met betrekkelijke voornaamwoorden. Dat is niet zo gek, want ze zijn ook best lastig.

Hoe zit het ook alweer?

Met een betrekkelijk voornaamwoord verwijs je naar een ander woord uit dezelfde zin, het zogenaamde antecedent. In de zin ‘het boek dat ik lees’ is boek het antecedent. Met het betrekkelijk voornaamwoord ‘dat’ verwijs je naar het boek. Naast ‘dat‘ zijn er nog andere betrekkelijke voornaamwoorden. Hoe gebruik je ze?

Dat gebruik je om te verwijzen naar het-woorden (onzijdige woorden): Het boek dat ik lees.

Die gebruik je om te verwijzen naar de-woorden (mannelijke of vrouwelijke woorden) of woorden in het meervoud: De vrouw die ik ken. De boeken die ik lees.

Wat gebruik je als het antecedent een hele zin is: Het regent, wat ik heel vervelend vind. Wat gebruik je ook als het verwijst naar onbepaalde woorden (bijvoorbeeld iets, niets, alles, enige) of een overtreffende trap: Ik zag iets wat ik heel grappig vond. Dat is het grappigste wat ik ooit gezien heb.

Welke gebruik je liever helemaal niet omdat het nogal ouderwets is. Maar als je het toch wilt gebruiken, verwijs je ermee naar de-woorden: De formulieren welke ik u stuur.

 

Stageterugkommiddag

Voordat ik in het onderwijs ging werken, had ik nog nooit van het woord ‘terugkomdag’ gehoord. Laat staan van ‘stageterugkommiddag’. Inmiddels weet ik beter; de stageterugkommiddag is een belangrijk moment binnen onze opleiding. Studenten gaan in hun studieloopbaan twee keer op stage, en tijdens elke stageperiode is er een middag op school om hun ervaringen – tot nu toe – te delen met studiegenoten. De ‘stageterugkommiddag’ dus.

Wat een idioot lang woord is dat eigenlijk. Toch schrijf je het volgens de Nederlandse spellingsregels aan elkaar. Het is namelijk een combinatie van woorden die een eenheid vormt. De officiële taalterm hiervoor is samenstelling. Er zijn verschillende typen samenstellingen en je kunt er echt ontelbaar veel maken. Wat dacht je van: socialmediamanagersbijeenkomst, kerstballenhaakjesdoosje en zoetewittewijnkenner (niet te verwarren met zoete wittewijnkenner of zoete, witte wijnkenner)…

Heb je nu opeens dringend behoefte aan een samenstellingopfrismomentje? Hier moet je wezen.

Paard

Met enige regelmaat zeg ik thuis hardop en zonder enige context het woord “paard”. En dan met een harde “p” en een rollende “r”. Mijn dochters van 12 en 14 vinden dat niet vreemd. Zij weten dat ik “paard” een lekker woord vind. Dat komt inderdaad door die “p” en die “r”.

“Paardje” vind ik ook fijn. Weer met die rollende “r”, waarna je kort de tong tussen de kaken klemt en dan “tje” uitspreekt. Ik gebruik het woord graag in voorbeeldzinnen bij de schrijflessen aan mijn studenten. Wanneer ik ze de actieve vorm uitleg bij voorbeeld, zinnen waarin het onderwerp actief iets doet (of denkt): “Het paardje graast in de wei.”

En wat dacht u van “paarrrr-den-lul”. Prachtig woord! Ook zonder rollende “r” zeer de moeite waard. Bij voorbeeld op z’n Amsterdams, als je het uitspreekt als “poaardelul”, met een héél korte “o” die vloeiend overgaat in een niet helemaal helder uitgesproken “a”, en zonder “n”.

Als je “paard” met veel volume uitspreekt – “PAARRRD”- , wordt het de uitroep van een krankzinnige. “Krankzinnig”, ook zo’n fijn woord. Ik mag het graag gebruiken in de artikelen die ik schrijf en in het bescheiden aantal boeken dat ik heb geschreven. “Krank” – ziek- van zinnen. Het bekt zo lekker negentiende-eeuws.

Je ziet ze al krijsend en half ontkleed ronddwalen in hun “krankzinnigengesticht”, ergens op een verlaten landgoed in het Zwarte Woud. Hoge tralieramen, lange gangen met hoge plafonds waar het nachtelijke gejammer lekker lang blijft nagalmen, de geur van groene boenzeep en stront.

In de wereld van de negentiende-eeuwse Amerikaanse schrijver Edgar Allen Poe stikt het van de mensen die “krankzinnig” zijn of bezig zijn het te worden. Ik hou van die wereld van Poe. Om er over te lezen, om films en series te bekijken die zich er afspelen. Het lijkt me minder plezierig om er echt in te leven.

“Plezier”, ook zo’n woord dat ik graag gebruik. De oubolligheid ervan leent zich uitstekend voor ironie: “Het lijkt me niet plezierig om in een negentiende-eeuws krankzinnigengesticht te leven.”

Maar ook: “Het eten van spaghetti met vongole verschaft mij altijd zoveel plezier.” Deze laatste zin moet met een koningin Wilhelmina-achtige intonatie worden uitgesproken, als in een hoorspel uit de jaren vijftig.

In het verlengde van “plezierig” zit “verdrietig”. Heerlijk. Vooral ook omdat het woord zo veel verschillende dingen kan uitdrukken. “Ik ben verdrietig” betekent letterlijk dat de ik-persoon “verdriet” heeft. Maar in de uitroep “verdrietige idioot!” (prachtig woord ook, “idioot”), krijgt het de ironische betekenis van meelijwekkend, maar dan op een neerbuigende manier: “Ik heb echt medelijden met je, verdrietige idioot!”

Maar als je zegt: “Ik vind de uitspraken van minister Blok verdrietig”, dan betekent het weer “betreurenswaardig”, maar dan net iets sterker; je hoort iemand zuchten en ziet hem zijn hoofd schudden.

Zo maakt taal het individu. Je kunt er ook niet aan ontkomen. Onbewust scheppen wij allen ons eigen idioom.

PAARRRD!

Moeilijke woorden

Vakdocenten klagen altijd dat leerlingen en studenten vooral in hún vakgebied van toeten noch blazen weten. “Ze kunnen niet eens meer een percentage berekenen”, klaagt de docent bedrijfseconomie. “Ik moet ze vertellen wanneer de oorlog was, wie ‘m is begonnen, en wie ‘m heeft gewonnen”, moppert de collega die geschiedenis heel belangrijk vindt (en niet wars is van hyperbolen). Taaldocenten vinden dat de spellingvaardigheid van studenten ondermaats is en dat hun vocabulaire te wensen overlaat.

Over dat laatste gesproken: de bovenstaande alinea bevat diverse woorden en uitdrukkingen die menig student niet kent, zo is mijn inschatting. Toeten noch blazen, hyperbolen, vocabulaire, vooral propedeusestudenten kunnen je vragend aankijken als je dergelijke woorden gebruikt. De vraag is of het erg is dat ze die woorden en uitdrukkingen niet kennen. Daarover kunnen in de docentenkamer verhitte discussies ontstaan.

Volgens mij is er behoefte aan meer duidelijkheid over de vraag welke woorden en uitdrukkingen de studenten bij ons in de propedeuse zeker moeten kennen. Dus ik heb besloten een lijstje ‘moeilijke woorden waarvan je de betekenis moet kennen’ op te stellen. En collega’s gevraagd om suggesties aan te leveren. Dat levert interessant materiaal en fraaie woorden op. Een greep uit de inzendingen tot dusverre:

  • protagonist
  • spectrum
  • consensus
  • stramien
  • lumineus
  • palpatie

Van dat laatste woord kende ik overigens zelf de betekenis niet, maar dat zal ongetwijfeld aan mij liggen.

Als u nog suggesties heeft voor het lijstje ‘moeilijke woorden waarvan eerstejaarsstudenten de betekenis moeten kennen’: ik houd me van harte aanbevolen.

 

Woord van de dag: BAM!

 

Onze hogeschool heeft iets te vieren: de HvA bestaat 25 jaar. In deze vorm, moet ik erbij zeggen, want de oudste voorloper (de Zeevaartschool) werd in 1785 al opgericht. Het lustrum-dan-wel-233-jarig bestaan was aanleiding voor een groot feest in Hotel Arena. Geestdriftige HvA’ers schreeuwden zich schor bij de karaoke, dansten zich in het zweet bij de verschillende feestbands of luisterden juist ademloos naar de liedjes van bard en HvA-collega Jaap Boots. Er was patat, er was pizza, er was bier en er waren vooral heel veel leuke collega’s. Ik ging helemaal op in het gedruis. Eén ding was jammer: klokslag middernacht was het voorbij. ‘Waarom gaan we niet door tot bam?’, joelde ik.

Een schitterende uitdrukking, die ik uit de Surinaamse woordenschat van mijn vriendin heb gepikt. Hoewel de klank doet vermoeden dat je dan doorgaat tot je uit elkaar knalt, betekent het volgens straatwoordenboek.nl gewoon: doorgaan tot heel laat, of tot de lol eraf is. Bij het zoeken naar de etymologie van ‘tot bam’ kwam ik ook nog een blogtekst tegen die meldt dat het een acroniem uit het Duits is en staat voor Bis Am Morgen. Nu, het werd nog net niet licht toen ik na de afterparty naar huis fietste, maar ik kon de volgende dag wel vol trots vertellen dat ik helemaal tot bam had gefeest. En dat alles zonder barfjes te hoeven leggen.

 

 

Woord van de dag: obsoleet

Het nieuwe studiejaar start volgende week. Dezer dagen praten we bij en bereiden we voor. Traditiegetrouw wordt de laatste maandag van de maand omgedoopt tot ‘Inspiriation Monday’. Zo kwam het dat we gisteren een hele dag wijdden aan ‘didactiek’. Een van de sprekers was Paul Kirschner (Educational realist, Distinguished University Professor, Educational Psychology, Open Universiteit – volgens zijn Twitterbiografie) die in zijn keynote van 25 minuten zeker zes keer het woord obsoleet gebruikte. Ik moest zo nadenken over de betekenis van het woord (gek genoeg wist ik wel dat je het met een b schrijft) dat de zinnen waarin hij het woord bezigde me niet zijn bijgebleven. Vanochtend vroeg ik de collega’s: ‘Weten jullie wat obsoleet betekent?’ Bleken de aanwezigen allemaal te weten: ‘Verouderd!’, riep er een. ‘Uit de mode geraakt’, zei een ander. Klopt allemaal. Iets wat obsoleet is, heb je niet meer nodig.