Selecteer een pagina

Godverdomme

Blunder tijdens live-uitzending Radio 1”, kopte de Telegraaf gisteren. Nieuwsgierig klikte ik op de link en viel in een gesprek tussen presentator Lara Rense en correspondent Wessel de Jong over KLM-Air France. Er ging kennelijk iets mis met de verbinding en zowel Lara als de luisteraars hoorden een hartgrondig ‘godver’ over Wessels lippen komen. Lara reageerde ad rem en improviseerde professioneel. Je bent een door de wol geverfde presentator of niet. Tot zover de ‘blunder’. 

Een van de eerste dingen die ik dertig jaar geleden als beginnend nieuwslezer leerde was: ‘Vloek nooit tijdens de uitzending en verklaar niemand de oorlog’. Je weet immers nooit zeker of de microfoon wel écht dicht staat. Terug naar de vloek van Wessel. Wie of wat vervloekte hij met zijn ‘godver’? De Almachtige? De falende techniek? Zichzelf? Dat laatste, want ‘godverdomme’ is een zelfverwensing. De oorspronkelijke betekenis van deze samentrekking stamt uit het Middelnederlands en luidt ‘God moge of God moet mij verdoemen (als ik de waarheid niet spreek)’.

Godverdomme was begin twintigste eeuw zelfs onderwerp van een moraaltheologische discussie in Nederland en Vlaanderen, met als belangrijkste deelnemers pater Aertnys, monseigneur Waffelaert en professor Dignant. Inzet was de vraag of godverdomme nu godslasterlijk was of niet. En zo nee, wat het dan wel was. Als je met godverdomme God verdoemde, de verdoemenis wenste aan God, dan was het voor de christen een doodzonde. De commissie kwam tot de slotsom dat het geen godslastering was, maar een zelfverwensing en dus geen doodzonde.

Maar wie godverdomme toch als blasfemie in de oren klinkt, kan gerust stevig van zich af vloeken met een grappige of eufemistische klankvariant als potdikkeme, potdomme, potdorie, potdosie, potdulle, potjandorie, potjandosie, potjandriedikkie, potjandriedubbeltjes, potsamme, pottedorrie, potver, potverblommekes, potverbrillepap, potverdekke, potverkoffie, potverdepotver(depotver), potverdikke, potverdikkeme, potverdikkie, potverdimme, potverdomd, potverdomme, potverdonderdag, potverdorie, potverdrie, potverdriedubbeltjes, potverdulle, potverdulleme, potverdumme, potvergeme, potverjandorie, potverjandriedubbeltjes, potverju, potverpielekes, potverpiemeltjes, potversnitjekus, snotdomme, snotdorie, snotdosie, snotjandoppie, snotsie, snotter, snotters, snottomme, snotver, snotverdee, snotverderrie, snotverdikke, snotverdikkeme, snotverdikkie, snotverdimme, snotverdomme, snotverdoppie, snotverdorie, snotverdrie, snotverdubbe, snotverdulleme, snotvergeme, snotverpielekes, snotversnaatje, snotversnooie, snotversnuppie.

(Bovenstaande opsomming komt uit Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede en frustratie van P. van Sterkenburg, Sdu Uitgevers. Meer over vloeken: in september 2018 verschenen bij uitgeverij Lannoo Het Groot Nederlands Vloekboek en Het Groot Vlaams Vloekboek)  

Woord van de dag: verbouwereerd

Op het fietspad slingert een man van links naar rechts. Dat komt omdat hij met één hand een sigaret uit een pakje prutst en met de andere hand zijn telefoon vasthoudt waarin hij hard schreeuwt in een moeilijke taal – Bulgaars? Servisch?

‘Pas op,’ zeg ik als ik hem voorbij fiets.

‘Optyfen, koet,’ schreeuwt hij me achterna. Daar is dan weer geen woord Roemeens bij.

Verbouwereerd fiets ik door. Voor de zekerheid wat sneller dan eerst. Wat een droploel.

 

Verbouwereerd betekent onthutst, verbijsterd. Het komt van het Middelnederlandse verbabeert dat ook onthutst betekende. Sommige mensen spreken het uit als verbrouwereerd, wellicht omdat je wenkbrauwen omhoog gaan als je verbijsterd bent? Maar correct is dus de versie zonder r: verbouwereerd.

 

 

Hoe zat het ook alweer? Jaren ’80/jaren 80

“In het begin van de jaren ’80 had bijna 90 procent van de huishoudens een abonnement op een krant”, lees ik in het werkstuk van een student. Een zin die bij sommigen weemoed zal oproepen. Ach ja, het internetloze tijdperk, wat lijkt dat lang geleden. Maar anderen worden misschien vooral getroffen door de taalfout in de zin. Nou ja, taalfoutje. Want die ’ (apostrof) voor 80, die hoort daar namelijk niet.

Artikel over de 'apostrophe' in de Telegraaf, december 1933.

Artikel over de ‘apostrophe’ in de Telegraaf, december 1933. Klik op de afbeelding voor het volledige artikel.

De apostrof is een ondergewaardeerd leesteken: je mist ’m pas als hij er niet is. Hij wordt vaak gebruikt om uitspraakproblemen te voorkomen bij meervoudvormen (foto’s, taxi’s), bij bezitsaanduidingen (Anna’s jas, Thomas’ laptop) en bij sommige woorden die je wilt verkleinen: baby’tje, A4’tje.

En de apostrof dient om aan te geven dat er ergens letters of cijfers stonden die we niet uitspreken. Zo stond in de vorige alinea ’m in plaats van hem, heeft iedereen het over ’s ochtends en niet over des ochtends en schrijven de meeste mensen zo’n in plaats van zo een, hoewel ik de laatste vorm weer regelmatig tegenkom in het werk van studenten.

De apostrof bewijst ook goede diensten als je jaartallen wilt bekorten. Bijvoorbeeld als je wilt aangeven dat ons land van ’40 tot ’45 verwikkeld was in de Tweede Wereldoorlog. Of dat je geboren bent in juni ’80. Dat laatste is waarschijnlijk de reden dat de apostrof ook opduikt als je iets wilt vertellen over de jaren tachtig. Maar met de jaren tachtig of jaren 80 duiden we een heel decennium aan, geen jaar. Als je schrijft: de jaren ’80, dan heb je het over de jaren 1980. En dan zie je al snel dat dat niet klopt.

Van de ware taalpurist mag het niet (germanisme!), maar je kunt ook tachtiger jaren zeggen. Dat klinkt een stuk plechtstatiger dan jaren 80. Maar soms is daar helemaal niets mis mee.

En als je een apostrof kwaad wilt maken, noem ’m dan aanhalingsteken. Want hij lijkt er misschien op, maar hij is het beslist niet!

 

Nepdicht

Onlangs appte ik collega Machteld dat ik onze kast even ‘nepdicht’ had gedaan. Het woord klopt misschien niet letterlijk, maar de betekenis was duidelijk: gesloten, maar niet op slot.
“Mooi: nepdicht”, appte Machteld terug. En eerlijk, zelf ben ik ook wel gecharmeerd van m’n nieuwe woord. Het past ook nog eens helemaal in de huidige tijd waarin fake ons om de oren vliegt ;-).
Voor de herkomst van het woord ‘nep’ moeten we terug naar de achttiende eeuw. Een van de verklaringen is namelijk dat het is ontleend aan het Duitse Nepp (bedrog, namaak). Dat zelfstandige naamwoord is afgeleid van het werkwoord neppen (bedriegen) dat zelf weer ontleend is aan het Duits Bargoense neppen, nappen (iemand oplichten, plukken).

Overigens gaat onze kast nu steeds weer potdicht. En dat is niet gelogen.

Meehuilen met de wolven in het bos

Taal is – naast heel veel andere dingen – een sociaal selectie-instrument. Spreek op het juiste moment het juiste woord en je hoort meteen bij de groep. En zo kan taal dus ook een uitsluitingsmechanisme zijn. Een heel bekend voorbeeld is de ijskast-koelkast-kwestie: veel mensen zien een subtiel klassenverschil tussen ijskast-zeggers en koelkast-zeggers.

Zelf heb ik een klein taaltrauma opgelopen toen ik als kleuter eens heel hard werd uitgelachen omdat ik de naam van Goofy, de sullige vriend van Mickey Mouse, uitsprak op z’n Engels. Ik had geleerd om Ghoeffie te zeggen, met de oe van snoep en de g van Google. Nóóit zal ik dat meer zeggen. Mijn klasgenoten waren onbarmhartig.

Sindsdien zeg ik liever iets fout omdat iedereen het fout zegt, dan goed met het risico me een elitaire taalpurist te voelen. Een schoolvoorbeeld van meehuilen met de wolven in het bos: iets doen waar je het eigenlijk niet mee eens bent, omdat je niet wilt afwijken van de groep. ‘Mag ik een panini met kaas, alstublieft?’

Uitdrukking van de dag: iemand iets niet euvel duiden

In mijn favoriete televisieprogramma Bed&Breakfast (B&B-eigenaren logeren bij andere B&B-eigenaren en betalen voor de kamer wat zij die waard vinden) gaf een van de logés als tip – het programma is immer positief – eens naar het doucheputje te laten kijken: “We werden wakker doordat de buren onder de douche stonden en wij het water hier hoorden pruttelen.” B&B-houdster Thea uit het Midden-Limburgse kerkdorp Roggel reageerde onmiddellijk met: “Dat is een euvel ja.” Euvel voor fout, gebrek of mankement, dat hoor je niet vaak (meer). Je komt het nog wel tegen in de verontschuldiging ‘Duid het me niet euvel’, dat ‘Neem het me niet kwalijk’ betekent. Van Thea geen excuses, sterker nog, er was “niks meer te doen” aan dat pruttelende putje. Ze zette er overigens een uitstekend ontbijt tegenover.

Weg met genderneutrale termen?

“Liebe Kunden und Kundinnen” (klanten), begint de luidspreker van het Duitse warenhuis zijn mededeling over de aanbieding van de dag.

Ik ben een poosje in Duitsland en het valt me op dat vrouwen en mannen hier consequent allebei worden aangesproken. In geschreven taal gebruikt men meestal een underscore-teken om aan te geven dat men zowel mannen als vrouwen bedoelt: Kund_innen, Künstler_innen. Niet mooi, wel duidelijk.

Voor Nederlanders komt dit een beetje omslachtig over. Wij gebruiken het liefst neutrale beroepsaanduidingen. Ook de Duitse studenten die ik ernaar vroeg, vonden het niet zo nodig. ‘Ik wil Journalist worden, geen Journalistin,’ zei een studente.

Maar toen ik deze week deze NRC-column van Japke-d Bouma las, veranderde ik van mening. Ze citeert taalwetenschapster Ingrid van Alphen, die onderzoek doet naar taal- en gendervraagstukken. En het blijkt dus wél uit te maken hoe je iemand noemt. Zo solliciteren vrouwen eerder als in een vacaturetekst naar een loodgieter/loodgietster gevraagd wordt en blijken meisjes in hun hoofd een beroep ‘over te slaan’ als alleen de mannelijke functienaam genoemd wordt.

Met onze goedbedoelde ‘neutrale’ aanduidingen blijken we de emancipatie in de weg te staan. Dat kan niet de bedoeling zijn. Ik noem mezelf voortaan docente in plaats van docent.

 

 

Zwoksels

Niet het leukste begin van een les Tekstschrijven: bij het opstarten van PowerPoint ontdekken dat het projectiescherm op zwart blijft. Gelukkig komt de vliegende kiep van de technische dienst snel om het euvel te verhelpen. Intussen vertel ik de eerstejaars dat tijdens mijn allereerste les Tekstschrijven hetzelfde gebeurde en ik met klotsende oksels het college uit mijn hoofd moest geven. “U had zwoksels!” roept een studente vrolijk.

Zwoksels. Een samentrekking van zweet en oksels. Briljant in zijn eenvoud. Na de les leert een korte speurtocht op internet dat de term zwoksels al zeker vier jaar gangbaar is. Sites als het straatwoordenboek en Urban Dictionary maken er melding van. Een columniste van de Limburger schreef er in 2014 over. In het klaslokaal heerst die ochtend verbazing over mijn onwetendheid: “Wat? Kent u zwoksels niet?” “Je kunt ook last hebben van een zwanus!” roept een andere student. Een derde vult aan: “Of van een zwut!”

Ook treffend (en nogal goor), maar niet zo pakkend als zwoksels, vind ik.