Selecteer een pagina

Riante living

Er is weinig zo lekker als een rondje huizen kijken op Funda. Vooral op momenten dat ik het eigenlijk heel druk heb, gaat er niets boven een halfuurtje ongegeneerd loeren in andermans woon- en slaapkamers – wat trouwens ook het leukste is van dat hele online onderwijs.

De letters HOME in de vensterbank, de strategisch geplaatste koffietafelboeken, plus de wetenschap dat alle rondslingerende zooi voor de foto naar de andere kant van de kamer is geharkt: heerlijk.

Waar ik vooral vrolijk van word is het typische makelaarstaaltje. Funda is een feest voor iedereen die van taal houdt, in het bijzonder van ronkend verkopersjargon. In gedachten zie ik altijd een tikje corporale dertiger in een Suit Supply-pak, die mij handenwringend probeert warm te maken voor ‘de riante living’ en de keuken ‘met moderne inbouwapparatuur’.

Verder valt op dat makelaars een uitzonderlijk grote voorkeur hebben voor de woorden ‘welke’ en ‘middels’. Zo zag ik voorbijkomen: ‘Geweldig appartement welke direct te betrekken is. (…) Middels de entree van het appartement bereikt u de royale hal. (…) Vanuit deze riante kamer heeft u een prachtig uitzicht middels de erker aan de voorzijde.’ Vanwaar die fetisj met dat malle, ambtelijke taalgebruik?

Bij een huis in het duurdere segment (over jargon gesproken) staat: ‘In de hal treft u een separaat toilet met fontein (…) Op de vierde verdieping is de woning voorzien van een fijne zolderkamer, welke thans in gebruik is als kantoor- en logeerruimte.’ Ik denk dat er überhaupt geen mensen zijn van na 1948 die het woord ‘thans’ nog gebruiken.

Het is een veelvoorkomende misvatting dat je extra professioneel overkomt als je dure woorden gebruikt. Ik word er een beetje lacherig van, terwijl dat me juist niet de bedoeling lijkt. Iemand die mij een huis wil verkopen met de tekst ‘Geheel onder architectuur verbouwd tot in de details’ kan ik, eerlijk gezegd, niet heel serieus nemen. Klinkt lekker, maar wat stáát er in godsnaam?

Wel jammer van dat huis van 1.6 miljoen. Ik zag mezelf al helemaal zitten in mijn riante living.

 

Versteend

Ons taalblog bestaat sinds januari 2014 en de uitdrukking in levenden lijve hebben we in de eerste zes en een half jaar van ons bestaan nooit gebruikt. Maar rond de zomer dook in levenden lijve tot twee keer toe op in blogposts.

Dat heeft uiteraard te maken met de huidige omstandigheden. Het is niet meer vanzelfsprekend dat je iemand in levenden lijve ziet. Ik constateerde dat de uitdrukking ook meer dan gemiddeld voorkwam in mijn berichten aan anderen: “Ik hoop je snel weer eens in levenden lijve te zien.”

Dat weet ik omdat ik altijd nauwkeurig check of ik de uitdrukking goed heb geschreven. En dat de spellingscorrectie er niet iets anders van maakt. “Ik hoop je snel weer eens in levende lijven te zien” is geen fijne afsluiter.

In levenden lijve is een voorbeeld van een zogenoemde staande of versteende uitdrukking. Volgens de huidige regels van spelling en grammatica klopt het niet, maar het is wel geaccepteerd Nederlands. Ooit klopte de uitdrukking namelijk wel en we hebben er geen afscheid van genomen.

Veel versteende uitdrukkingen hebben oude naamvalsvormen die we nu niet meer kennen in het Nederlands.

In vroeger tijden kregen bijvoeglijke naamwoorden die bij een mannelijke of onzijdig zelfstandig naamwoord hoorden, na een voorzetsel de uitgang -en. In levenden lijve dus, en ook in groten getale en met voorbedachten rade.

Bijvoeglijke naamwoorden die bij een vrouwelijk zelfstandig naamwoord hoorden, kregen na een voorzetsel de uitgang -er. In vroeger tijden dus, en ook te goeder trouw en van ganser harte.

Die naamvallen hadden we volgens Nicoline van der Sijs, die onderzoek doet naar de geschiedenis van onze taal, te danken aan het Duits. In de zeventiende eeuw kwamen veel immigranten, onder wie bijbelvertalers, uit het oosten naar Hollandse steden.  Het Duits kende ook toen al mannelijke en vrouwelijke woorden en naamvallen.

Het Nederlands had die niet, maar taalkundigen in die tijd beschouwden dat als een tekortkoming. Een beschaafde taal had naamvallen, zo vonden ze. En een onderscheid in mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden. En zo lukte het sommige vooraanstaande lieden in de zeventiende en de achttiende eeuw om de standaardtaal stevig te beïnvloeden, aldus Van der Sijs.

Maar heftige twisten over hoe we iets moeten schrijven zijn van alle tijden, dus niet geheel verrassend ontstond er op een gegeven moment een anti-naamvallenbeweging.

Belangrijke vertegenwoordiger van die stroming was taalkundige Roeland Anthonie Kollewijn. In 1891 publiceerde hij het uiterst lezenswaardige en verrassend actuele opstel Onze lastige spelling. Een voorstel tot vereenvoudiging, ook online te lezen.

Daarin pleit Kollewijn ervoor dat de spreektaal leidend moet zijn. En niet allerlei gekunstelde regeltjes van de heren De Vries en Te Winkel, die de spellingsvoorschriften van die tijd hadden bedacht.

Verschil tussen de en het: prima. Maar dan ook nog een onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke woorden? Met consequenties voor de uitgang van het bijvoeglijke naamwoord? Hou eens op! Dat ze het in andere talen zo doen, dat moeten de Fransen en de Duitsers weten, maar val ons Nederlanders er niet mee lastig.

Evenals wij reeds als kleine kinderen (niet op school, maar in ‘t ouderlijk huis) voor altijd leeren, wanneer wij het en wanneer wij de moeten zeggen, leert de Franschman wanneer hij le en wanneer la, de Duitscher wanneer hij der, des, dem, den, die of das gebruiken moet. Vraag een Duitschen polderjongen of men zegt der of die Kittel en hij zal u het antwoord niet schuldig hoeven te blijven; vraag een beschaafd Nederlander of gij schrijven moet: “de jongen trok een schoone of een schoonen kiel aan” en hij zal u zeggen: “ik geloof. . . maar zeker weet ik het niet;” of: “kijk maar eens in de Vries en te Winkel.”

Het duurde even voordat Kollewijn zijn zin kreeg. Maar in 1934 gaf de toenmalige minister van Onderwijs Marchant zijn fiat aan de meeste voorstellen van Kollewijn, zodat die leidend werden in het onderwijs in Nederland. Scholieren hoefden niet meer te weten of een woord mannelijk of vrouwelijk was en het bijvoeglijk naamwoord dus op -e, -en of -er moest eindigen.

De versteende uitdrukking kent voor- en tegenstanders. Zo schrijft de redactie van de site beterspellen.nl: “De [versteende] uitdrukkingen hebben vaak een officieel tintje, maar dat kan ook worden opgevat als oubollig. […] Het is vaak beter om gewoon te schrijven wat je bedoelt.” En dan volgt een lijstje met suggesties zoals noodgedwongen voor in arren moede en in eigen persoon voor in levenden lijve.

Tsja… Taal is wat mij betreft niet louter functioneel, maar evenzeer een creatieve uiting, een manier om wat kleur en franje in het leven te brengen, een blik op het verleden. Dus het zal duidelijk zijn: ik ben blij dat de versteende uitdrukkingen de tand des tijds doorstaan.

 

Asjemenou!

Tijdens een online les liep mijn laptop vast in een PowerPoint-presentatie. Mijn publiek, bestaande uit 28 voor mij onzichtbare studenten, hoorde me gelukkig geen grove vloek of verwensing uiten, maar een decent ‘asjemenou’. Beter dan iets met ‘corona’ of een andere ziekte (zie de vorige aflevering van Ik zeg ook maar wat ).

Asjemenou is dan ook geen keiharde verwensing, maar een braaf tussenwerpsel. Oudere lezers associëren asjemenou vast met Loeki de Leeuw, die van 1972 tot 2004 te zien was in korte filmpjes in de reclameblokken van de STER. Hij had weinig tekst en zijn vaste kreet was ‘asjemenou’. 

Het is een uitroep van verbazing, die voor het eerst in een Nederlands woordenboek werd opgenomen in 1950. Om precies te zijn in de zevende druk van het Van Dale Groot Woordenboek. Chips (‘gebakken aardappelschijfjes’), knoeipot, piemelnaakt en snipverkouden verschenen dat jaar eveneens voor het eerst in de Van Dale. (Uitdaging: maak een goedlopende zin met daarin asjemenou en de andere debutanten uit 1950).

De stijlfiguur waar asjemenou/als je me nou… van afstamt is een interessante: de ellips. Dat is een onvolledige zin, waaruit vaak het onderwerp, de persoonsvorm of beide zijn weggelaten. In geschreven teksten wordt een ellips vaak als taalfout beschouwd. Maar elliptische zinnen lezen doorgaans wel lekker. Ze zijn kernachtig en to the point. Vooral teksten die kort en pakkend moeten zijn, zoals krantenkoppen, berichten op social media en reclamekreten wemelen van de ellipsen. In spreektaal zijn ze helemaal alom aanwezig

‘Wanneer is de deadline voor Ik zeg ook maar wat?’

‘Vanmiddag.’ (In plaats van ‘vanmiddag is de deadline voor Ik zeg ook maar wat.’)

‘Asjemenou!’

NB: Vanaf 20 oktober is in het Noordbrabants Museum een tentoonstelling te zien, getiteld ‘Asjemenou! De Nederlandse populaire cultuur in 100 voorwerpen.’ 

 

Coronabitch

Dag lezer,

Daar zijn we weer. Ja, hier op het blog dan, want op ons werk zijn we nog lang niet. We werken thuis, geven thuis les en spreken onze studenten digitaal. Vanochtend had ik zowaar een ontmoeting in levenden lijve met een student en ik verheugde me erop alsof het een uitje was.

Popelend en keurig bemondkapt stond ik op de pont over het IJ. Die voer vervolgens niet uit omdat een reiziger weigerde een mondkapje te dragen. Er ontstond commotie onder de andere reizigers, ja, het werd écht een uitje. ‘Schiet op, coronabitch,’ riep iemand. ‘Dat coronawijf wil geen kappie op,’ zei een ander. De vrouw in kwestie mompelde: ‘kanker op met je corona’ en deed toen toch maar een kapje op. Toen de boot eenmaal voer, deed ze het stiekem weer af. Een kleuter in het lichaam van een 35-jarige vrouw. Wij – de andere reizigers – rolden met onze ogen. Niets verbroedert zo als een gezamenlijke vijand.

Nederlanders schelden het liefst met geslachtsdelen en ziektes: tyfus, tering (van tuberculose), pest, klere (van cholera), pleuris (longontsteking), kanker. Corona is natuurlijk de nieuwe loot aan de stam.

Tot nu toe heb ik corona als scheldwoord vooral gehoord in samenstellingen om personen aan te duiden (coronawijf, coronalijer). Alle andere genoemde ziektes kun je ook zo gebruiken. Maar tyfus, tering en klere kun je ook nog zelfstandig als uitroep gebruiken (‘tyfus, wat een dag’). Pleuris kun je als werkwoord gebruiken (pleur op). Kanker ervaren veel mensen als een zeer ongepast scheldwoord, en daar hebben ze gelijk in. Maar het is wel de meest veelzijdige van het stel. Je kunt het gebruiken in een samenstelling (kankerkop), als werkwoord (opkankeren) en als uitroep (kanker, wat een gore frikandel). En gek genoeg kun je kanker ook positief gebruiken (kankervet), dat is wel ziek natuurlijk.

Welke kant het met corona opgaat, is nog ongewis. Ik vermoed dat het een onschuldig scheldwoord blijft. ‘Corona, ik ben mijn sleutels vergeten’ klinkt te veel als chips-in-plaats-van-shit-zeggers. Maar ‘corona een eind op‘ klinkt eigenlijk best wel lekker.

Vanaf deze week zal er op Ikzegookmaarwat weer wekelijks een stukje verschijnen. We hebben nieuwe bloggers en kijken uit naar hun bijdrages. We wensen jullie een coronagoed schooljaar.

 

Woord van de dag: amechtig

De trouwe volger van ons blog zal het vast hebben gemerkt: onze bijdragen verschijnen nogal onregelmatig de laatste tijd. We streven naar een frequentie van minimaal één blogpost per week. Maar zo langzamerhand is dat één blogpost per maand. Niet dat we geen zin meer hebben om iets over taal te schrijven. Nee, de reden is dat we het nogal druk hebben.

Half maart moesten we plotseling van de ene op de andere dag overschakelen naar volledig online onderwijs. Een forse klus, maar het lukte aardig. Al ging er wel behoorlijk wat tijd in zitten. Vooruit, een paar weken doorbijten en dan zou alles vast weer normaal zijn. Zouden we onze studenten en collega’s weer in levenden lijve zien.

Maar die paar weken werden maanden. En onlangs kregen we de mededeling dat ook het eerste semester van het volgend collegejaar helemaal online zal zijn, op een paar momenten van fysiek onderwijs na.

U snapt: dat zorgde voor nogal wat beroering. We waren nog niet eens bekomen van die plotselinge en tijdrovende omschakeling, of we kregen het verzoek of we aan de slag wilden met kennisclips en ‘modulebouwers’ om het onderwijs van volgend jaar opnieuw vorm te geven. Die term ‘modulebouwer’ is overigens zeer misleidend, want die bouwt helemaal niets, we moeten gewoon in een tabel aangeven hoeveel uur we waar aan gaan besteden.

Nu willen we beslist niet klagen. Docent zijn op een hogeschool is een prachtige baan. En in heel veel sectoren wordt keihard gewerkt om deze ongewone omstandigheden het hoofd te bieden. Er zitten zeker ook voordelen aan online onderwijs. Geen reistijd bijvoorbeeld. En elke dag onbekommerd een korte broek kunnen aantrekken.

Maar toch, je mist veel als je studenten en collega’s alleen via videoverbindingen spreekt en ziet. Ons werk mist plotseling een paar dimensies, zo voelt het. Alsof je van een intense liefdesrelatie plotseling moet overschakelen op een langeafstandsrelatie.

Dus menig Ikzegookmaarwat-blogger ploft ‘s avonds amechtig en niet geheel voldaan op de bank. Heeft urenlang naar een beeldscherm zitten kijken waarop studenten en collega’s verschijnen met wie zij of hij zo graag weer eens ‘live’ zou willen praten en koffiedrinken. Heeft zich een slag in de rondte gebeld. Realiseert zich dat het deze week haar/zijn beurt is voor een blogstukje. En denkt: dat kan ik er geloof ik niet bij hebben. Het is hem of haar vergeven. Met alle respect voor u, waarde lezer, maar onderwijs gaat altijd voor.

Amechtig betekent volgens Van Dale ‘buiten adem’. Voor wie mocht denken dat die eerste twee letters van amechtig een samentrekking van adem zijn: dat klopt niet. Het woord is afgeleid van het Middelnederlandse ‘amacht’. Dat is gevormd uit het voorvoegsel a (zonder, niet) en macht. De oorspronkelijke betekenis is dus ‘onmachtig’, breder dan alleen ‘buiten adem’. Waarschijnlijk vanwege de associatie met adem heeft het woord tegenwoordig de betekenis ‘buiten adem’.

 

De magische ganzenveer en de taalverrijkende fout

Wij IZOMW-docenten besteden een groot deel van ons wakende bestaan aan het nakijken van studentenwerk (en daar blijft het niet eens altijd bij: ik kijk soms ook in mijn dromen na, met een magische ganzenveer die ik in groene inkt doop. Ja duiders, kom er maar in). En dus komen we veel, héél veel taalfouten in het wild tegen. De meeste daarvan zijn gangbaar en saai: dt-fouten, samenstellingen, ‘ik ben opzoek’, ‘de tranen stroomde over mijn wangen’, dat werk. Fouten die ik zo vaak tegenkom dat ik ze in mijn slaap nog kan corrigeren.

Er is ook een andere categorie: de fouten die me juist even wakker schudden uit de nakijkroes. Zo schreef een student onlangs dat een maatregel ‘alleen maar a van rechts’ werkte. Ik veerde op alsof ik een dubbele espresso achterover had geslagen. ‘A van rechts’, waarom ook niet? Het doet denken aan woorden als asociaal, atonaal en a-relaxt, met zo’n A die ‘niet’ betekent. Zo kun je er met een beetje fantasie iets in lezen als ‘niet van rechts’, dus links, onhandig, sinister … alsof je probeert te knippen met de schaar in je verkeerde hand. Taalfout? Je reinste taalverrijking. Ik kon verkwikt weer verder.

 

Hoe zat het ook alweer? Toost/toast

Bijna alles is anders in tijden van corona, zo ook koningsdag. Dit jaar geen festiviteiten, geen handenschuddend vorstenpaar, geen basketballende prinsesjes en geen prinsen die aan een touw hangen. In plaats daarvan moest iedereen er zelf wat van  maken. En dat ging volgens mij best aardig.

De koninklijke familie liet ons ‘s middags meekijken bij een videoconferentie waarin prinses Beatrix de jarige op afstand feliciteerde en prins Constantijn een toost uitbracht op zijn jarige broer. En daarna bracht de koning op zijn beurt weer een toost uit op zijn familie en op iedereen die Nederland momenteel draaiende houdt. Kortom, er werd gisteren wat afgetoost.

In het Nederlands kennen we zowel een toost als een toast. Een toost is een zogenoemde heildronk, je drinkt op iemands gezondheid waarbij je enige lovende woorden uitspreekt. Een toast is een geroosterd sneetje brood, de verkleinvorm toastje een klein hartig koekje met iets erop dat geserveerd wordt bij de borrel.

Hebben beide woorden iets met elkaar te maken? Jazeker. Toost is een vernederlandsing van het Engelse woord toast. Tot in het begin van de vorige eeuw werd in Nederland een toast uitgebracht als er iets te vieren was, op zijn Engels. Later werd dat ‘een toost uitbrengen’. In het Engels heeft het woord toast meerdere betekenissen en kun je er zowel een heildronk als een geroosterde boterham mee aanduiden. Geen toeval, want in vroeger eeuwen deed men een stuk gekruid geroosterd brood in de wijn. Naar verluidt werd de wijn daar lekkerder door en het brood beter eetbaar.

 

Contempleren

Mijn studenten moeten voor mijn module Creatief Schrijven een “coronablog” schrijven. Om ze op ideeën te brengen, liet ik ze tijdens mijn online les in “the virtual classroom” gebeurtenissen noteren die ze de laatste weken hadden meegemaakt die direct of indirect met de coronacrisis te maken hadden. Ik legde ze uit dat het heus niet allemaal drama hoefde te zijn. Ook iets kleins, als een plotseling aangewakkerde liefde voor wandelen, was in feite al voldoende.

Ze mochten hun ideeën mailen. Daarna kregen ze allemaal even een beurt om een enkel idee toe te lichten. En wat bleek? Verrassend veel studenten hielden zich de afgelopen weken bezig met geestelijke zaken. Een student vond hernieuwde kracht in haar joodse geloof na het vieren van een online Seideravond (de start van het joodse paasfeest) in Zoom, een andere student vond rust en bezieling in “het kleine”, in het besef dat het tempo van de wereld plotseling vrij sterk was gedaald, weer een andere student leerde plotseling haar huisgenoten kennen, meisjes met wie ze al twee jaar samenwoonde maar die tot een paar weken terug dan wel geen vreemden waren, maar ook niet veel meer dan bekenden.

Bijna allen herkenden het gevoel dat wij mensen in deze tijd plotseling teruggeworpen worden op onszelf. Dat ervoeren ze niet als negatief. Ik liet ze een verhaal van mij lezen over een wandeling die ik zelf afgelopen week maakte. Ze moesten in de tekst de actie onderstrepen, de beschrijvingen en de contemplatie. Ik liet ze eerst het woord “contempleren” opzoeken. Een prachtig woord, vind ik, in de klank lijkt de onstoffelijke betekenis al besloten te liggen.

Onzetaal.nl legt het als volgt uit:

Contempleren ligt dicht bij mediteren: je bent het leven en de dingen innerlijk aan het overdenken, aan het beschouwen. Een bepaalde mate van (fysieke) afzondering is daarbij wel handig, en die afzondering ligt deels al in het woord contempleren zelf besloten: daar zit namelijk het Latijnse woord voor ‘tempel’ in, templum, en dat betekent in feite een ‘afgebakende ruimte’. In de Romeinse tijd was zo’n templum de plek waar priesters de vlucht van vogels bestudeerden om zo voorspellingen te kunnen doen. Later werd een tempel een heilige ruimte waar je afgezonderd was van de dagelijkse beslommeringen.

Prachtig, wanneer je contempleert maak je dus eigenlijk een tempel van je eigen hoofd. Ik moest denken aan een “gebeurtenis” die ik zelf ooit meemaakte ergens begin jaren negentig. De beroemde Engelse avonturier en reisschrijver Redmond O’ Hanlon signeerde zijn nieuwste werk in boekhandel Scheltema in Amsterdam. Ik had een boek van hem gelezen dat ik ter signering had meegenomen: Tussen Orinoco en Amazone – het enige wat me van het boek nu is bijgebleven is de angst van de schrijver voor een of ander minuscule visje dat tijdens het plassen in de rivier je urinebuis in kon zwemmen om aldaar zijn eieren te leggen.

Ik vertelde O’Hanlon een beetje beschaamd dat ik heel weinig had gereisd in mijn leven, sowieso nooit buiten Europa was geweest en in Europa zelf ook maar een beperkt aantal landen had bezocht. Hij schreef in mijn boek: For Binnert, who only needs his mind to travel the world. Of woorden van gelijke strekking, ik ben het boekje helaas kwijtgeraakt. Er zat iets heel geruststellends in die woorden.

Dat reizen in hun hoofd, dat is wat mijn studenten nu ook ervaren wanneer ze contempleren over hun leven. Ik ben benieuwd naar de werelden die ze daar aantreffen. Wie weet nemen ze er iets positiefs van mee naar de echte wereld, voor na de coronacrisis.

Buitenschaamte

Bij het vak mediapsychologie leren we onze studenten dat gedragsveranderingen ontzettend traag gaan, áls ze al mogelijk zijn. En kijk nou eens! De brave burgers van Nederland – wat zeg ik, van de hele wereld – gedragen zich voorbeeldig volgens de nieuwe normen. Natuurlijk blijft de taal niet achter, ook die past zich razendsnel aan. We verwelkomen nieuwe woorden en oude bekenden in een nieuwe betekenis:

Anderhalvemetersamenleving: keurig aan elkaar geschreven. Een paar weken geleden hadden we het nog over social distancing, nu is de anderhalvemetersamenleving ’het nieuwe normaal’. We blijven keurig op afstand. In India is die afstand overigens 1.80 m, in andere landen 2 meter. Daar hebben we hier gewoon de ruimte niet voor.

Buitenschaamte: even een frisse neus halen mag van Grapperhuis, maar als je andere frisseneushalers tegenkomt in de duinen of – oei – op het strand of de bollenvelden, voel je je toch opeens een overtreder.

Alles met corona: coronapatiënt, coronacrisis, corona-epidemie, coronabesmetting, coronavirus, coronamaatregel, coronatest, coronakucher, coronaboete, coronavaccin (toekomstmuziek), coronaseks (uit verveling). Als het tweede woord van de samenstelling een klinker is, gebruik je een verbindingsstreepje: corona-aanpak.

Exitstrategie: het is bekend hoe we hierin beland zijn. Maar hoe komen we er in godsnaam weer uit?

Indammen: geen nieuw woord, maar we gebruikten het in de letterlijke betekenis voor onze nationale trots, de waterwerken. Nu proberen we het virus in te dammen, dat blijkt een stuk weerbarstiger dan de Noordzee.

Juno: mal woord voor juni. Tot 1 juno mogen we geen grote bijeenkomsten hebben van minister Grapperhaus. Juno heeft zelfs een Twitteraccount.

Limo: staat voor Lunchen In Mijn Onderbroek. Geef toe, dit is wel echt een voordeel van deze hele toestand.

Mondkapjestekort: dit woord bestond misschien al wel in een schoonheidssalon of bij de tandarts, maar kon dan eenvoudig opgelost worden. Nu is het een algemeen woord dat we liever niet gekend hadden.

Het nieuwe normaal: geen handen schudden, ze wel wassen, afstand houden, thuis blijven. Ik vermoed dat de speechwriter van de premier de uitdrukking ‘het nieuwe normaal’ bedacht heeft. Chapeau! Van Ron Fresen op het NOS-journaal tot de AH-medewerkster die de karretjes uitdeelt, binnen een dag na de persconferentie was de uitdrukking in heel Nederland ingeburgerd.

Raamvisite, ook wel zwaaivisite genoemd. We kunnen niet meer op bezoek bij elkaar en alleen nog door het raam zwaaien naar oma. Niet fijn. Ook hiervoor geldt: jammer dat het moet, maar fijn dat het kan.

Testbeleid: op de hogeschool hebben we al jaren een toetsbeleid, maar een testbeleid voor heel Nederland is nieuw. Waar het op neerkomt: eerst werd bijna niemand getest, nu meer mensen, straks veel meer mensen.

Teststraten: afgekeken van Zuid-Korea, sowieso een gidsland in deze  crisis. Een teststraat is een soort McDrive in een parkeergarage waar mensen in hun eigen auto een Coronatest krijgen.

Thuiswerkexperiment: tja, we zullen wel moeten én we mogen niet piepen want we zijn dolblij dat we überhaupt werk hebben. Maar het is echt een gevalletje LIA (leuk is anders). Online onderwijs is alsof je met een blokfluit een symfonie van Beethoven speelt: je herkent de melodie, maar het is niet op the real thing.

Tijden: het zijn rare tijden, het zijn bizarre tijden, bijzondere tijden, vreemde tijden, moeilijke tijden, gekke tijden. Een maand geleden was tijd nog gewoon enkelvoud en hadden we een leuke tijd, nu is tijd meervoud geworden.

Videobellen: bestond natuurlijk al, maar doen we nu de ganse dag, met de collega’s, met oma en voor de vrijdagmiddagborrel. Meest gehoord: ‘ik zie je niet, zie je mij wel?’ ’Ik hoor je niet, hoor je mij wel?’

Zoomen: online vergaderen via de app Zoom deden we ‘in het begin’ (drie weken geleden) volop, totdat we ontdekten dat we een makkelijke prooi voor hackers waren.

Zorghelden: voorheen dokters en verplegend personeel. Nu ze elke dag in de frontlinie staan mogen we ze gerust helden noemen.

Zorgheldenauto: een gratis leenauto voor een zorgheld(in) zodat hij/zij niet met het OV naar het werk hoeft.