Selecteer een pagina

Verkeerd in goede staat

Als hartstochtelijk marktplaatsspeurder bewonder ik dagelijks de creativiteit van de gebruikers. Marktplaats biedt hulp bij het maken van een advertentie, maar dat kan gelukkig niet voorkomen dat er veel te genieten over blijft. Van een man die zichzelf per ongeluk naakt uploadt in een antieke, geslepen spiegel tot een ontroerende kop als ‘Grijs buro – niet mooi’.

De hoeveelheid foto’s, de belichting, het perspectief en de kwaliteit zeggen weer iets over het kunnen of willen verplaatsen in de klant. Een aangeboden meubelstuk zonder afmetingen is niet serieus te nemen en getuigt van luiheid. Maar vooral de advertentietekst bevat subtiele hints over het leven van de opsteller.

De Britse psychiater Theodore Dalrymple noemt de tatoeage het stigma van de laagste klassen. Het uitroepteken en Caps Lock kunnen er ook wat van. Bij ‘televisiekastje ERG MOOI NOG!!!!!’ verwacht geen hond nog een academisch werk- en denkniveau. Waarom maar één uitroepteken als je er ook zes kan gebruiken om uiting te geven aan je enthousiasme over een televisiekastje?

Bij de occasions ben je ook altijd in goede handen. Een Citroën GSA die ´nog in goede staat verkeerd´ is te mooi om door een automatische controle te laten verbeteren. Net zoals deze, uit mijn persoonlijke archief:

Bargoens

Als er in een Nederlandse televisiekomedie een ‘jongen van het volk’ (m/v) wordt opgevoerd, kun je er donder op zeggen dat hij een Amsterdamse tongval heeft. Denk aan Martin Morero uit Gooische Vrouwen, Melvin uit Jiskefet (ook bekend van Ajax’ officieuze clublied Dit is mijn club) en natuurlijk de voltallige familie Flodder. Naast gemeenteambtenaar Sjakie, de kakkineuze buren en zelfs de SRV-man, die allemaal keurig ABN praten, benadrukt het knauwerige Mokums van ma, Johnny, Kees en Kees hun eenvoudige inborst.

Zoals een koning automatisch majestueuzer wordt met een kroon op, zo krijgt iemand die plat Amsterdams praat als vanzelf iets gezelligs Jordanees, een vleugje ouwejongenskrentenbrood, met misschien een onduidelijk handeltje hier of daar, maar altijd joviaal en lief voor z’n oude moeder.

Wellicht heeft die reputatie van ‘boef met een gouden hartje’ te maken met de vele typisch Amsterdamse woorden die uit het Bargoens stammen. Deze taal stond vroeger bekend als de geheime taal van landlopers en dieven en is nog steeds vervlochten met het oude Amsterdamse dialect. Woorden als ‘gozer’, ‘tof’ en ‘mazzel’ zijn Bargoens, die dáárvoor weer waren gejat (overigens ook Bargoens) uit het Hebreeuws en Jiddisch.

Eén en ander las ik laatst terug in het Bargoens Woordenboek, dat ik ooit voor een tientje op de boekenmarkt aanschafte en nog steeds regelmatig doorblader. Ter vermaak, natuurlijk, maar ook ter lering. Een woord als ‘gozer’ kent namelijk iedereen, maar wat is in godsnaam een kladdertje? Of muimes? Bij een leuter of gelazer kun je je nog iets voorstellen, maar wat betekent het als je ‘een scheet op een plankie timmert’?

Enfin, hoe graag ik ook zou willen: een woord als kladdertje (“publieke vrouw die aan seksuele afwijkingen tegemoetkomt”) hoor je niet gauw meer. Zoals elke taal ontwikkelt ook het Amsterdams zich en is het in de loop der jaren aangevuld met woorden uit het Sranan, Arabisch, Turks en natuurlijk Engels. Pareltjes zoals ‘krankjorum’ verdwijnen daarentegen langzaam naar de achtergrond.

Dat is niet erg. Een levende taal bestaat bij de gratie van zijn sprekers en het Amsterdams van nu weerspiegelt het stadsleven anno 2019. Toch hoort Bargoens net zoveel bij Mokum als een pikketanussie en blijft het een bron van Amsterdams kleurrijke verleden. En hoop ik stiekem op de comeback van de scheldnaam Lulletje Lampekap.

Koppies

Het was een verdrietig moment in het duel tussen WSC en JEKA (2-1) in de Zondagcompetitie 2e klasse E van 3 november jongstleden. Het stond nog 1-1 toen een van de JEKA-spelers in het gezicht werd geslagen door een speler van WSC. “De scheidsrechter zag het, maar gaf onbegrijpelijk slechts geel. Dat moment leek in de koppies te gaan zitten”, sprak JEKA-trainer Bas Liebregts na afloop tegen een verslaggever van BN De Stem.

“In de koppies zitten”, het is een uitdrukking die voorbehouden lijkt aan het jargon van de voetbaltrainer. Ermee wordt bedoeld dat door een incident, of door een reeks nederlagen, er zich onbewust een collectief gevoel van defaitisme in de hoofden van de spelers lijkt te hebben genesteld. Dat “er niet meer in geloven” kan dus slechts één wedstrijd duren, maar ook een langere periode, en soms een heel seizoen.

“Je zag de angst in de koppies kruipen”, is er eentje in hetzelfde genre. Of: “Na de goal in de 80e minuut zag ik de koppies bij de jongens een beetje gaan hangen, want je bent zo dichtbij een succesmoment en dan valt het weg. Als je dan, toch onverwacht, nog gelijk maakt, is dat heel erg lekker”, aldus Ferry van der Meulen, hoofdtrainer van GeuzenMiddenmeer na het gelijkspel van zijn team uit tegen Pancratius in www.hetamsterdamschevoetbal.nl.

Toch heeft het iets infantiels, dat gebruik van het woord “koppies” voor volwassen mannen in de bloei van hun leven. Plotseling lijken het weer f’jes die aanvankelijk dartel over het veld huppelen om dan in een stromende ijsregen met 15-0 te worden afgedroogd waarna ze met “hangende koppies” en betraande oogjes de troostende armen van hun ouders opzoeken. Het tekent de verhouding tussen de coach en zijn spelers, als die van een vader en zijn zoons.

In het vrouwenvoetbal ben ik de uitdrukking nog niet tegengekomen. “Koppies” past om een of andere reden minder bij meisjes dan bij jongens. En hoewel infantiel, heeft het ook iets liefs dat “koppies”, en is het ook niet gespeend van enige tragiek. Jaap Stam, voormalig hoofdtrainer van Feyenoord, zag vaak “hangende koppies” van het veld komen. Na verloop van tijd begon zijn indrukwekkende kop ook steeds meer te hangen. Het lukte hem niet om “het” uit de koppies te krijgen. Stam werd ontslagen. En daar is niks kinderachtigs aan.

 

OK boomer

In mijn lijstje van ‘dingen waar ik een hekel aan heb omdat ze mensen in grote groepen in hokjes duwen terwijl een mens als individu eindeloos complex, tegenstrijdig en verrassend is’ staat generatiedenken bij mij maar net iets lager dan astrologie. Natuurlijk begrijp ik dat collectieve ervaringen van invloed zijn op je wereldbeeld, en dat het best verschil maakt of je op je veertigste of op je achtste voor het eerst een iPhone vasthoudt. Maar ik ben er niet dol op, dat toekennen van allerlei kenmerken aan grote groepen mensen die weinig meer gemeen hebben dan hun geboortedecennium.

Toch – daar heb je die tegenstrijdigheid al – vermaak ik me nogal met de internetmeme ‘OK boomer’: een heerlijk kernachtige uitspraak waarmee ieder jong persoon ieder ouder persoon af kan kappen. Lisa Bouyeure duidde het verschijnsel vorige week in de Volkskrant. En iedereen die wel eens op Twitter komt (ouderenmedium bij uitstek, maar ok), is het talloze malen tegengekomen.

De term boomer verwijst naar de babyboomgeneratie, die in de naoorlogse geboortegolf tussen 1945 en 1955 ter wereld kwam. Daar wordt niet heel strikt op gelet bij het ok-boomeren. Ikzelf (een ‘gen-X’er’ uit 1968) ben ook al ‘boomer’ genoemd, na een mislukte grap waar mijn kinderen hevig om moesten eye-rollen.

Als iemand ‘ok boomer’  tegen je zegt, kun je daar heel boos om worden, of woest beweren dat je niet eens een babyboomer bent, maar daarmee lever je juist het bewijs dat je er niks van snapt en een suffe boomer bent. Het is net als iemand koppig noemen: hoe harder je tegenstribbelt en beweert dat je helemáál niet koppig bent, hoe koppiger je doet. Typerend voor de boomer is het starre vasthouden aan het eigen perspectief, zo legde mijn dochter me uit. Volgens haar is dat hele ‘ok boomer’ een reactie op de manier waarop babyboomers vaak over jongeren praten: ‘Verwende millennials, Generation Z die alleen maar op z’n telefoon zit te prullen, dat soort dingen.’ ‘Hoe moet je dan wél reageren als je boomer wordt genoemd,’ vroeg ik. Na enig nadenken zei ze: ‘Dan zeg je: nou, dat mag jij vinden. Een beetje zoals the Dude. That’s just like, your opinion, man.’ Mooier kan het niet: mijn favoriete babyboomer, stonede hippie Jeffrey Lebowski, toont zich de ware antiboomer. Complex en tegenstrijdig, ik zei het al.

 

De kogel is door de kerk

‘Kogel door de kerk: overdag in heel het land 100 km/uur’, kopte de Telegraaf op 12 november. De stikstofcrisis noopt het kabinet Rutte III tot draconische maatregelen, waarvan het terugbrengen van de maximumsnelheid van 130 naar 100 kilometer per uur er één is. Op de website van Onze Taal is te lezen dat de uitdrukking betekent dat -meestal na lang overleg- een beslissing is genomen en de knoop is doorgehakt. Aanvankelijk verwees de zegswijze niet zozeer naar daadkracht, maar naar een gebrek aan eerbied en fatsoen. 

Waar de uitdrukking ‘de kogel is door de kerk’ precies vandaan komt is niet zeker. Het zou te maken kunnen hebben met de ongeschreven regel dat kerken werden ontzien tijdens gewapende conflicten. Schieten in en om de kerk werd als zeer onbeschoft beschouwd. Kogels en kerken, geen goede combinatie. Zeker in het licht van alle recente aanslagen op kerken en moskeeën overal ter wereld. Dat ook in vroeger tijden vechtende partijen lak hadden aan regels, of ze nu ongeschreven waren of in steen gehouwen, is nog te zien in Haarlem. Daar kun je de kanonskogel bekijken die de Spanjolen botweg dwars door de Sint-Bavokerk joegen tijdens het beleg van de stad in 1573. 

Het oudste spreekwoordenboek waarin de uitdrukking is te vinden, betreft De oorsprong en uitlegging van dagelijks gebruikte Nederduitsche spreekwoorden uit 1726 van Carolus Tuinman. Tuinman schrijft “Is dan de kerk zelf aangetast en doorschoten, ’t is een blyk, dat men door geen ontzag wordt afgeschrikt, en nu alles durft ondernemen. Die het heilige niet spaart, en de vreeze daar voor afgelegt heeft, zal dan het ongewyde nog minder verschoonen.” 

De verklaring van Tuinman wordt echter in twijfel getrokken door F.A.Stoett, auteur van hét standaardwerk over Nederlandse spreekwoorden (1923-25). Het woord ‘kerk’ is volgens Stoet alleen ter alliteratie aan de uitdrukking toegevoegd. ‘Kogel’ en ‘kerk’ bekken gewoon lekker en hebben niets te maken met het ‘beledigen en vergrammen’ van heiligen en heiligdommen. Dus je zou in het geval van de snelheidsverlaging net zo goed kunnen zeggen ‘de kogel is door de Kamer’.  Of door de koe, de heilige koe.

 

Uitdrukking van de dag: iets achterwege laten

Onze eerstejaars maakten de afgelopen weken de taaltoets Nederlands. Altijd interessant om te zien welke onderdelen ze lastig vinden.

Een van de valkuilen was een tekstje waarin onder meer stond dat je dingen die niet essentieel zijn ‘achterwegen’ moet laten. Studenten moesten aangeven welk woord in het tekstje verkeerd was gespeld. Ruim 60 procent koos voor een ander woord dan achterwegen, zoals verrassing, fotografe of nieuwsgierig. Dat zijn woorden die studenten regelmatig verkeerd spellen (verassing, fotograve, nieuwschierig), maar die in dit tekstje nu toevallig wél goed waren geschreven.

Misschien komt het omdat ‘achterwegen’ er niet merkwaardig uitziet. Sterker nog, het is een bestaand woord: het meervoud van achterweg (af­ge­le­gen, een­za­me weg). Maar in de uitdrukking ‘iets achterwege laten’ eindigt het woord op een e en niet op een n. Het betekent dat je iets niet doet.

Volgens de Etymologiebank is het een eeuwenoude uitdrukking. Achter weghe betekende: ergens langs de weg laten staan, niet meenemen, ‘wat nog op weg is, niet aangekomen is’.

 

Woord van de dag: jewelste

Op dinsdagmiddag is het bij ons op school vergadermiddag (jeuj!) en dat betekent dat het op die dag een drukte van jewelste is. Als je een vrij bureau in de docentenkamer wil bemachtigen, moet je bij het krieken van de dag toeslaan. Denk hierbij aan Russische toeristen die in een allinclusivehotel hun handdoek uitspreiden op een ligstoel aan het zwembad. De enkeling die argeloos om half tien binnenwandelt, krijgt meewarige blikken toegeworpen.

Werken kun je op dinsdag overigens vergeten. In de loop van de dag zwelt het geluid aan tot het ’s middags een lawaai van jewelste is. Gezellig voor de sociale contacten maar als je nog iets af wil krijgen, is het een ergernis van jewelste.

De malle uitdrukking ‘van jewelste’ mag je ook schrijven als ‘van je welste’ of ‘vanjewelste’. Je gebruikt ‘van jewelste’ om het woord waar het aan vooraf gaat kracht bij te zetten. Een drukte van jewelste is dus een grote drukte, lawaai van jewelste is een hels lawaai. De uitdrukking komt al sinds de negentiende eeuw in het Nederlands voor. Je zou dan misschien denken dat het een verouderde uitdrukking is, maar op sociale media kom je de uitdrukking ook nu nog steeds veel tegen (een ‘lifehack van jewelste’, ‘potje zin in van jewelste’, ‘misser van jewelste’ en – welja – een ‘nacht van jewelste’).

Welst is volgens etymologiebank de overtreffende trap van wel (wel – weller – welst).

 

Woord van de dag: kassiewijle

Naast mijn werk bij de hogeschool doe ik zo nu en dan wat redactieklussen. Ik ben nu redacteur van iemand die een boek over ‘goed sterven’ schrijft: hoe neem je afscheid van het leven als de dood je is aangezegd. Je kunt het maar één keer doen, en – zo blijkt – ook bij sterven is een goede voorbereiding het halve werk.

Vanochtend bezocht ik de auteur om samen de eerste versie van het boek door te nemen. Die versie had ik de afgelopen dagen twee keer doorgenomen en al lezend turfde ik hoe vaak de woorden ‘sterven’ en ‘doodgaan’ voorkwamen. Het viel mee, maar ik ging toch vast op zoek naar synoniemen. Keuze te over: verdwijnen, vergaan, verscheiden, creperen, de pijp uitgaan, doodgaan, expireren, heengaan, het loodje leggen, het tijdelijke voor het eeuwige verwisselen, inslapen, insluimeren, ontslapen, overlijden, sterven, verrekken, versmachten, verstikken et cetera.

Een van de mooiste vind ik ‘kassiewijle’ – een woord uit het Jiddisch, dat ‘weg’ of ‘dood’ betekent. Het is een verbastering van ‘asjeweine’. In Trouw stond vorig jaar dat de etymologie van asjeweine een interessant perspectief biedt op het weg- of dood-zijn: de Hebreeuwse formule hašibhēnū, waarop asjeweine teruggaat, betekent namelijk letterlijk: ‘doe ons terugkeren’.

 

Ellendig

Van bijzondere docenten weet je vaak niet eens meer wat ze je exact leerden. Je herinnert je  vooral een onbestemde sensatie van welbehagen, als bij een verschoond bed of een haardvuur dat weer eens aan mag.

Dat is Marlies Philippa voor mij. Ik studeerde Nederlands en zij was als hoofdredacteur een compleet Nederlands etymologisch woordenboek aan het bouwen. Ze kon Zweeds, Oudgermaans, Arabisch en Fries en had twee pretoogjes staan in een olijk, rond gezicht. Ze beschikte over een mer à boire aan wetenswaardigheden, die wij gulzig innamen. Het woord ‘cliché’, zo vertelde ze,  is waarschijnlijk een onomatopee; een woord dat de klank nabootst van datgene waarnaar het verwijst. Het is het geluid dat een drukpers maakt. Te mooi om niet waar te kunnen zijn.

Een jaar na haar boeiende colleges las ik in de krant dat er weer een nieuw deel van het woordenboek af was. Ik had een bijbaan gevonden en werkte die avond in het Concertgebouw, routinematig flessen ontkurkend met de flauwe zucht waarmee het officieel moet. De eerste helft van het concert was nog bezig, toen een kleine vrouw in een feestelijk, zwart glinsterjasje de nog lege foyer in kwam stappen. ‘Een glas champagne graag.’ ‘Natuurlijk, mevrouw Philippa.’ Ze voelde zich even betrapt maar herpakte zich nadat ik haar feliciteerde met het bereiken van de mijlpaal. Mensen die in hun eentje een glas champagne bestellen zijn leuke mensen, had ik al geleerd.

Dat ik door haar nog steeds weet waar ‘ellende’ vandaan komt, is omdat ik het tot in den treure als fun fact aan al mijn vrienden en familie heb verteld. Het eerste lid is ‘el’, dat ‘ander’ betekende, denk maar aan ‘elders’ en het Engelse ‘else’. In het tweede lid is het niet moeilijk om nog ‘land’ te herkennen. Je bent dus in een ander land, het buitenland, als je ellendig bent. In lang vervlogen tijden, van stadstaten en struikrovers, stond de straf verbanning bijna gelijk aan de doodstraf. Je moest naar een plek zonder sociaal vangnet, een beschermende stadsmuur of rechten. Dan was en voelde je je dus: ellendig.

In 2019 voel je je in het meeste buitenland niet meer ellendig, tenzij je last van heimwee hebt zoals die arme Roy Donders in Expeditie Robinson. Reizen hoort zelfs bij een deugdzaam leven. Je hoeft je niet te schamen om een tussenjaar in Australië te nemen en als Nederlanders wordt gevraagd wat ze willen doen met hun pensioen, dan zal menigeen met  dromerige blik antwoorden ‘zoveel mogelijk van de wereld te willen zien’. Toch zou het terecht zijn als we weer eens wat vaker denken aan de oorsprong van het woord ‘ellende’, want de invloed van mondiaal toerisme is wel degelijk ellendig. Werelderfgoed gaat aan eigen succes ten onder door al die schuifelende schoenen. We vliegen er ieder jaar een hittegolf bij, om maar te zwijgen over het plastic.

De schrijver Godfried Bomans heeft ook al eens uitgelegd dat reizen de illusie van geestelijke groei biedt om er bij thuiskomst achter te komen dat jijzelf en je dierbaren eigenlijk niet veranderd zijn. Mijn advies: blijf een vakantie thuis, koop alle delen van Philippa’s woordenboek en reis door de tijd. Geestelijke groei gegarandeerd.

 

Spaans

Het zal ergens eind jaren ’80 geweest zijn. Op een zaterdagmiddag in november maakte Sinterklaas zijn opwachting in een Hilversumse winkelstraat – en natuurlijk stond ik, als vroom gelovige, om het hardst sinterklaasliedjes mee te zingen. Na een rondje te paard langs de plaatselijke Blokker en V&D, nam de sint op een winderig pleintje plaats in een zetel. Daar nam hij de tijd om met kinderen op de foto te gaan, in wangetjes te knijpen en over bolletjes te aaien.

Toen ook ik aanstalten maakte om wat pepernoten te scoren, trok mijn vader me aan mijn jas. ‘Weet je wat je moet doen?’ vroeg hij samenzweerderig. ‘Je moet iets in het Spaans tegen hem zeggen. Sinterklaas woont toch in Spanje? Dat vindt ‘ie vast leuk!’ En dus zat Sint even later met een Spaans ratelende kleuter op schoot, zich afvragend hoe hij zich hieruit zou gaan redden. Even verderop stond mijn vader het tafereeltje grijnzend gade te slaan. Hij wel.

Leuk hoor, opgroeien bij een Nederlandse vader en een Spaanse moeder. Als kind kletste ik weleens met de panfluit spelende Peruanen in het winkelcentrum, als puber schreef ik spiekbriefjes voor economie of geschiedenis in het Spaans; dan kon ik altijd zeggen dat het gewoon een boodschappenlijst was.

Hoewel ik me verder hartstikke Nederlands voelde, heb ik het Spaans altijd een fijne aanvulling gevonden – naast de taal waarin ik ook nu nog het meest met mijn moeder praat. Tot op de dag van vandaag wordt bij mijn ouders thuis zowel Nederlands als Spaans gesproken. En nog steeds leidt dat regelmatig tot een vraag als: ‘Mam, me quieres dar el afstandsbediening?’

Inmiddels heb ik een dochter (4), die op haar beurt weer een Spaanse oma heeft. In de gesprekjes die die twee voeren hoor ik mijn eigen jeugd voorbijkomen, vaak in de vorm van liedjes en rijmpjes die ik allang vergeten was. Als over een paar weken Sinterklaas weer in het land is, gok ik dat dit wordt aangevuld met een lollig bedoeld verzoekje van opa, om de dienstdoende sint in de zeik te nemen. Sint: u bent gewaarschuwd.