Selecteer een pagina

De kogel is door de kerk

‘Kogel door de kerk: overdag in heel het land 100 km/uur’, kopte de Telegraaf op 12 november. De stikstofcrisis noopt het kabinet Rutte III tot draconische maatregelen, waarvan het terugbrengen van de maximumsnelheid van 130 naar 100 kilometer per uur er één is. Op de website van Onze Taal is te lezen dat de uitdrukking betekent dat -meestal na lang overleg- een beslissing is genomen en de knoop is doorgehakt. Aanvankelijk verwees de zegswijze niet zozeer naar daadkracht, maar naar een gebrek aan eerbied en fatsoen. 

Waar de uitdrukking ‘de kogel is door de kerk’ precies vandaan komt is niet zeker. Het zou te maken kunnen hebben met de ongeschreven regel dat kerken werden ontzien tijdens gewapende conflicten. Schieten in en om de kerk werd als zeer onbeschoft beschouwd. Kogels en kerken, geen goede combinatie. Zeker in het licht van alle recente aanslagen op kerken en moskeeën overal ter wereld. Dat ook in vroeger tijden vechtende partijen lak hadden aan regels, of ze nu ongeschreven waren of in steen gehouwen, is nog te zien in Haarlem. Daar kun je de kanonskogel bekijken die de Spanjolen botweg dwars door de Sint-Bavokerk joegen tijdens het beleg van de stad in 1573. 

Het oudste spreekwoordenboek waarin de uitdrukking is te vinden, betreft De oorsprong en uitlegging van dagelijks gebruikte Nederduitsche spreekwoorden uit 1726 van Carolus Tuinman. Tuinman schrijft “Is dan de kerk zelf aangetast en doorschoten, ’t is een blyk, dat men door geen ontzag wordt afgeschrikt, en nu alles durft ondernemen. Die het heilige niet spaart, en de vreeze daar voor afgelegt heeft, zal dan het ongewyde nog minder verschoonen.” 

De verklaring van Tuinman wordt echter in twijfel getrokken door F.A.Stoett, auteur van hét standaardwerk over Nederlandse spreekwoorden (1923-25). Het woord ‘kerk’ is volgens Stoet alleen ter alliteratie aan de uitdrukking toegevoegd. ‘Kogel’ en ‘kerk’ bekken gewoon lekker en hebben niets te maken met het ‘beledigen en vergrammen’ van heiligen en heiligdommen. Dus je zou in het geval van de snelheidsverlaging net zo goed kunnen zeggen ‘de kogel is door de Kamer’.  Of door de koe, de heilige koe.

Uitdrukking van de dag: iets achterwege laten

Onze eerstejaars maakten de afgelopen weken de taaltoets Nederlands. Altijd interessant om te zien welke onderdelen ze lastig vinden.

Een van de valkuilen was een tekstje waarin onder meer stond dat je dingen die niet essentieel zijn ‘achterwegen’ moet laten. Studenten moesten aangeven welk woord in het tekstje verkeerd was gespeld. Ruim 60 procent koos voor een ander woord dan achterwegen, zoals verrassing, fotografe of nieuwsgierig. Dat zijn woorden die studenten regelmatig verkeerd spellen (verassing, fotograve, nieuwschierig), maar die in dit tekstje nu toevallig wél goed waren geschreven.

Misschien komt het omdat ‘achterwegen’ er niet merkwaardig uitziet. Sterker nog, het is een bestaand woord: het meervoud van achterweg (af­ge­le­gen, een­za­me weg). Maar in de uitdrukking ‘iets achterwege laten’ eindigt het woord op een e en niet op een n. Het betekent dat je iets niet doet.

Volgens de Etymologiebank is het een eeuwenoude uitdrukking. Achter weghe betekende: ergens langs de weg laten staan, niet meenemen, ‘wat nog op weg is, niet aangekomen is’.

 

Woord van de dag: jewelste

Op dinsdagmiddag is het bij ons op school vergadermiddag (jeuj!) en dat betekent dat het op die dag een drukte van jewelste is. Als je een vrij bureau in de docentenkamer wil bemachtigen, moet je bij het krieken van de dag toeslaan. Denk hierbij aan Russische toeristen die in een allinclusivehotel hun handdoek uitspreiden op een ligstoel aan het zwembad. De enkeling die argeloos om half tien binnenwandelt, krijgt meewarige blikken toegeworpen.

Werken kun je op dinsdag overigens vergeten. In de loop van de dag zwelt het geluid aan tot het ’s middags een lawaai van jewelste is. Gezellig voor de sociale contacten maar als je nog iets af wil krijgen, is het een ergernis van jewelste.

De malle uitdrukking ‘van jewelste’ mag je ook schrijven als ‘van je welste’ of ‘vanjewelste’. Je gebruikt ‘van jewelste’ om het woord waar het aan vooraf gaat kracht bij te zetten. Een drukte van jewelste is dus een grote drukte, lawaai van jewelste is een hels lawaai. De uitdrukking komt al sinds de negentiende eeuw in het Nederlands voor. Je zou dan misschien denken dat het een verouderde uitdrukking is, maar op sociale media kom je de uitdrukking ook nu nog steeds veel tegen (een ‘lifehack van jewelste’, ‘potje zin in van jewelste’, ‘misser van jewelste’ en – welja – een ‘nacht van jewelste’).

Welst is volgens etymologiebank de overtreffende trap van wel (wel – weller – welst).

 

 

 

 

Woord van de dag: kassiewijle

Naast mijn werk bij de hogeschool doe ik zo nu en dan wat redactieklussen. Ik ben nu redacteur van iemand die een boek over ‘goed sterven’ schrijft: hoe neem je afscheid van het leven als de dood je is aangezegd. Je kunt het maar één keer doen, en – zo blijkt – ook bij sterven is een goede voorbereiding het halve werk.

Vanochtend bezocht ik de auteur om samen de eerste versie van het boek door te nemen. Die versie had ik de afgelopen dagen twee keer doorgenomen en al lezend turfde ik hoe vaak de woorden ‘sterven’ en ‘doodgaan’ voorkwamen. Het viel mee, maar ik ging toch vast op zoek naar synoniemen. Keuze te over: verdwijnen, vergaan, verscheiden, creperen, de pijp uitgaan, doodgaan, expireren, heengaan, het loodje leggen, het tijdelijke voor het eeuwige verwisselen, inslapen, insluimeren, ontslapen, overlijden, sterven, verrekken, versmachten, verstikken et cetera.

Een van de mooiste vind ik ‘kassiewijle’ – een woord uit het Jiddisch, dat ‘weg’ of ‘dood’ betekent. Het is een verbastering van ‘asjeweine’. In Trouw stond vorig jaar dat de etymologie van asjeweine een interessant perspectief biedt op het weg- of dood-zijn: de Hebreeuwse formule hašibhēnū, waarop asjeweine teruggaat, betekent namelijk letterlijk: ‘doe ons terugkeren’.

 

Ellendig

Van bijzondere docenten weet je vaak niet eens meer wat ze je exact leerden. Je herinnert je  vooral een onbestemde sensatie van welbehagen, als bij een verschoond bed of een haardvuur dat weer eens aan mag.

Dat is Marlies Philippa voor mij. Ik studeerde Nederlands en zij was als hoofdredacteur een compleet Nederlands etymologisch woordenboek aan het bouwen. Ze kon Zweeds, Oudgermaans, Arabisch en Fries en had twee pretoogjes staan in een olijk, rond gezicht. Ze beschikte over een mer à boire aan wetenswaardigheden, die wij gulzig innamen. Het woord ‘cliché’, zo vertelde ze,  is waarschijnlijk een onomatopee; een woord dat de klank nabootst van datgene waarnaar het verwijst. Het is het geluid dat een drukpers maakt. Te mooi om niet waar te kunnen zijn.

Een jaar na haar boeiende colleges las ik in de krant dat er weer een nieuw deel van het woordenboek af was. Ik had een bijbaan gevonden en werkte die avond in het Concertgebouw, routinematig flessen ontkurkend met de flauwe zucht waarmee het officieel moet. De eerste helft van het concert was nog bezig, toen een kleine vrouw in een feestelijk, zwart glinsterjasje de nog lege foyer in kwam stappen. ‘Een glas champagne graag.’ ‘Natuurlijk, mevrouw Philippa.’ Ze voelde zich even betrapt maar herpakte zich nadat ik haar feliciteerde met het bereiken van de mijlpaal. Mensen die in hun eentje een glas champagne bestellen zijn leuke mensen, had ik al geleerd.

Dat ik door haar nog steeds weet waar ‘ellende’ vandaan komt, is omdat ik het tot in den treure als fun fact aan al mijn vrienden en familie heb verteld. Het eerste lid is ‘el’, dat ‘ander’ betekende, denk maar aan ‘elders’ en het Engelse ‘else’. In het tweede lid is het niet moeilijk om nog ‘land’ te herkennen. Je bent dus in een ander land, het buitenland, als je ellendig bent. In lang vervlogen tijden, van stadstaten en struikrovers, stond de straf verbanning bijna gelijk aan de doodstraf. Je moest naar een plek zonder sociaal vangnet, een beschermende stadsmuur of rechten. Dan was en voelde je je dus: ellendig.

In 2019 voel je je in het meeste buitenland niet meer ellendig, tenzij je last van heimwee hebt zoals die arme Roy Donders in Expeditie Robinson. Reizen hoort zelfs bij een deugdzaam leven. Je hoeft je niet te schamen om een tussenjaar in Australië te nemen en als Nederlanders wordt gevraagd wat ze willen doen met hun pensioen, dan zal menigeen met  dromerige blik antwoorden ‘zoveel mogelijk van de wereld te willen zien’. Toch zou het terecht zijn als we weer eens wat vaker denken aan de oorsprong van het woord ‘ellende’, want de invloed van mondiaal toerisme is wel degelijk ellendig. Werelderfgoed gaat aan eigen succes ten onder door al die schuifelende schoenen. We vliegen er ieder jaar een hittegolf bij, om maar te zwijgen over het plastic.

De schrijver Godfried Bomans heeft ook al eens uitgelegd dat reizen de illusie van geestelijke groei biedt om er bij thuiskomst achter te komen dat jijzelf en je dierbaren eigenlijk niet veranderd zijn. Mijn advies: blijf een vakantie thuis, koop alle delen van Philippa’s woordenboek en reis door de tijd. Geestelijke groei gegarandeerd.

Spaans

Het zal ergens eind jaren ’80 geweest zijn. Op een zaterdagmiddag in november maakte Sinterklaas zijn opwachting in een Hilversumse winkelstraat – en natuurlijk stond ik, als vroom gelovige, om het hardst sinterklaasliedjes mee te zingen. Na een rondje te paard langs de plaatselijke Blokker en V&D, nam de sint op een winderig pleintje plaats in een zetel. Daar nam hij de tijd om met kinderen op de foto te gaan, in wangetjes te knijpen en over bolletjes te aaien.

Toen ook ik aanstalten maakte om wat pepernoten te scoren, trok mijn vader me aan mijn jas. ‘Weet je wat je moet doen?’ vroeg hij samenzweerderig. ‘Je moet iets in het Spaans tegen hem zeggen. Sinterklaas woont toch in Spanje? Dat vindt ‘ie vast leuk!’ En dus zat Sint even later met een Spaans ratelende kleuter op schoot, zich afvragend hoe hij zich hieruit zou gaan redden. Even verderop stond mijn vader het tafereeltje grijnzend gade te slaan. Hij wel.

Leuk hoor, opgroeien bij een Nederlandse vader en een Spaanse moeder. Als kind kletste ik weleens met de panfluit spelende Peruanen in het winkelcentrum, als puber schreef ik spiekbriefjes voor economie of geschiedenis in het Spaans; dan kon ik altijd zeggen dat het gewoon een boodschappenlijst was.

Hoewel ik me verder hartstikke Nederlands voelde, heb ik het Spaans altijd een fijne aanvulling gevonden – naast de taal waarin ik ook nu nog het meest met mijn moeder praat. Tot op de dag van vandaag wordt bij mijn ouders thuis zowel Nederlands als Spaans gesproken. En nog steeds leidt dat regelmatig tot een vraag als: ‘Mam, me quieres dar el afstandsbediening?’

Inmiddels heb ik een dochter (4), die op haar beurt weer een Spaanse oma heeft. In de gesprekjes die die twee voeren hoor ik mijn eigen jeugd voorbijkomen, vaak in de vorm van liedjes en rijmpjes die ik allang vergeten was. Als over een paar weken Sinterklaas weer in het land is, gok ik dat dit wordt aangevuld met een lollig bedoeld verzoekje van opa, om de dienstdoende sint in de zeik te nemen. Sint: u bent gewaarschuwd.

Taalfascisme

Wanneer studenten een taalfout maken in mijn (digitale) omgeving, dan verbeter ik ze altijd. Dat kan ook in een WhatsApp-bericht zijn.

Een meisje vroeg zich eens af waarom ik dat deed. Het ging toch immers niet om een “officiële” tekst? Voor een portfolio of in een toets? “Nee”, zei ik. “Maar ik zal je tot aan je afstuderen blijven verbeteren. Want ik ben taaldocent. Wat je daarna doet, daar bemoei ik mij niet mee.”

Dat is compleet gelogen. Sporadisch heb ik nog wel eens e-mailcontact met oud-studenten. En wanneer zij dan een taalfout maken, verbeter ik hen altijd. Dat zal wel te maken hebben met de sociale context waarin wij elkaar hebben leren kennen. Ik ben altijd weer compleet verbaasd wanneer een oud-student plotseling dertig is geworden, gaat trouwen, een kind krijgt. Ik kan zulke volwassen gebeurtenissen uit het échte leven niet rijmen met mijn beeld van de student die ik als puber van 17 hier op school zag komen.

Je zou mijn frikkerige verbeterdrift een vorm van taalfascisme kunnen noemen. Maar daar ben ik het niet eens. Ten eerste vind het ook niet erg wanneer anderen mij verbeteren. Nee, ik vind het vreselijk, want ik voel me dan oudtestamentisch schuldig (wat ik mij diep in mijn onderbewuste eigenlijk altijd wel voel). Maar met het verbeteren zelf heb ik geen moeite.

Daarbij is taalfascisme iets anders, en je ziet het vaak terug op Twitter in onsmakelijke discussies over de drie-eenheid der polarisatie: islam, klimaat en Zwarte Piet. Wanneer iemand dan een dt-fout maakt, is er altijd wel iemand anders – een opponent – die hem of haar daar op wijst, met als doel de ander weg te zetten als dom. Hij of zij kan niet spellen, dus zijn/haar argumenten deugen ook niet.

Nu word ik zelf echt verdrietig van de taalfouten die mijn studenten maken. Maar ze kunnen er “in eerste instantie” weinig aan doen. In het gehele voortraject dat ze hebben doorlopen, is het ze gewoon niet goed geleerd.

Tegenwoordig doe ik wel eens een testje in de klas. Ik schrijf de volgende zin op:

De boer slaat het paard.

Ik vraag mijn studenten om in deze zin onderwerp, persoonsvorm en lijdend voorwerp te benoemen. Een aanzienlijk deel heeft hier grote moeite mee. Als zij al niet de basisvaardigheden van de taal beheersen, hoe kun je dat dan verwachten van de massa?

Het is daarom not done om anderen op sociale media te verbeteren. Behalve wanneer zij ambtshalve met taal te maken hebben en dus beter zouden moeten weten. Dan mag je wat mij betreft helemaal los op ze gaan. Vooral wanneer ze er ook nog eng-rechtse ideeën op nahouden.

En mijn studenten blijven gewoon mijn studenten, zolang als ik leef. En die zal ik dus altijd blijven verbeteren. Noem mij een frik, maar geen fascist.

Ongezellig snertweer

Volgende week, op 5 oktober, is het de honderd-en-derde geboortedag van mijn oma, Cornelia Johanna Okkes-Van Toorn. Ik noemde haar natuurlijk nooit Cornelia. Niemand noemde haar ooit zo: ze heette Cor, ook wel Cox of Cokkie, maar haar kinderen en kleinkinderen zeiden altijd Piepje. Ook wel: de Piep. Dat kan ik verder niet verklaren.

Ze leeft al lang niet meer, maar ik denk nog vaak aan haar. Vooral in deze tijd van het jaar; niet alleen omdat ze dan dus jarig was, ook omdat ik me heel goed herinner hoe somber ze kon worden van het naderende donkere seizoen en hoe ze kon klagen over het ‘ongezellige’ herfstweer. Als tiener vond ik dat heel irritant. Neem het niet zo persoonlijk, het is maar wéér, dacht ik dan. Toch vond ik het vaak heel vermakelijk als ze mopperde, omdat ze dat deed met van die fijne, braaf-ouderwetse omawoorden.

Als iemand iets ergs deed, was dat niet gewoon naar of gemeen maar ‘misselijk’. Een misselijke streek, meestal door een misselijke vent geleverd. Een misselijke vent die het heel bont maakte, was een ‘mispunt’ (ik weet niet of een vrouw ook een mispunt kon zijn). Mocht de regering iets misselijks bedenken, bijvoorbeeld dat er op onderwijs werd bezuinigd, of dat WAO’ers erop achteruitgingen, dan vond de Piep dat ‘geen werk’.

Mijn lievelings-omawoord was ‘snert’. Een heel handig woord, want het kan op allerlei manieren worden ingezet: als voorvoegsel, als bijvoeglijk naamwoord of zelfs als werkwoord. Natuurlijk was het in oktober en november heel vaak snertweer, of was de televisie op vrijdagavond – afgezien van Baantjer – ronduit snert. Snerten als werkwoord kwam alleen voor in een vaste uitdrukking. Dat ging zo: ‘Pieps, mag ik nog een marsje?’ ‘Hoeveelste marsje is dat?’ ‘Vierde ofzo …’ ‘Víer? Je kan me snerten!’.

Over de herfst, de dood, de ouderdom en het donker is heel veel moois geschreven, door grote schrijvers, dichters, en denkers, in prachtige woorden en troostrijke beelden; maar ik denk als de dagen korter worden altijd ‘snert!’. En ik heb mijn oma weer even terug.

 

Mee-eter

Puistjes worden ten onrechte geassocieerd met de puberteit. Maar ook als je al twee, drie of vier keer zo oud bent kun je kampen met een onzuivere gezichtshuid. De cosmetische industrie heeft legio middeltjes voor de jonge en rijpere gecombineerde probleemhuid. Onlangs bespraken collega’s C. (dertiger) en M. (vijftiger) de kwaliteiten van speciale plakstrips waarmee de neusbrug in één ruk ontdaan kan worden van mee-eters. 

Mee-eter, een veel te gezellig woord voor zo’n onsmakelijk verschijnsel. In het Engels noemen ze het treffend ‘blackhead’, in het Frans ‘point noir’. Wij ontlenen het woord mee-eter aan het Latijnse comedo. Dat komt van comedere. Com = samen en edere = eten. Hoezo, samen eten? ‘Ja joh, schuif lekker aan, er is meer dan genoeg!’ Waarvan? Huidvet. Talg. De dermatologie stond in die tijd nog in de kinderschoenen, want men dacht dat de verstopte poriën wormpjes waren, die voedsel gebruikten. Sorry hoor, maar gadverdamme! 

 

Woord van de dag: boudoir

Sinds kort verlaat ik op zondagavond mijn huis in Utrecht om er in principe pas op vrijdagavond weer terug te keren. Doordeweeks bewoon ik een pied-à-terre in Amsterdam. Het is even wennen, van 120 vierkante meter over drie verdiepingen naar 43 vierkante meter, eenhoog-achter. Meer dan volledig gemeubileerd, dat wel; de eigenaar is een jaar naar Beiroet en liet zijn hele inboedel staan. Toen mijn echtgenote me er laatst met een tas vol kleren afleverde riep ze ietwat onthutst: “Mijn hemel! Terug in de tijd. Het is net een boudoir!”

Een boudoir is volgens Van Dale een damesvertrek. Volgens het Algemeen Nederlands Woordenboek  hadden huizen van stand zo’n ‘klein, elegant en comfortabel vertrek met een intieme en persoonlijke sfeer. Dames konden zich er alleen of in het gezelschap van vertrouwde personen terugtrekken voor toilet en opschik, rust en overpeinzing, lectuur, conversatie enzovoorts’.

De vriendin die me aan dit etagetje hielp, omschreef het interieur als volgt: ‘Het is net Parijs! Denk: eindeloos veel lp’s, boeken, muziekinstrumenten, filosofisch, Jean Paul Sartre, Simone de Beauvoir. Heel romantisch.’ Prima plek dus om me doordeweeks terug te trekken of er met vriendinnen te converseren. Bij de thee serveer ik dan geen kaakje maar een boudoir, Frans voor onze Lange vinger.