Selecteer een pagina

Allesomvattend

Spulletjeswinkel Sostrene Grene spoort ons aan om alvast inkopen te doen voor ‘een allesomvattende kerst’.

Ik weet niet wat dat is, maar instinctief deins ik terug voor dit hellebeeld. Ik vermoed dat je bij een allesomvattende kerst begin maart het laatste kaarsvet van de muur schraapt, eindelijk een beetje kunt lachen om het excuusappje van je schoonzus (“sorry, de glühwein viel gewoon verkeerd”) en drie vuilniszakken vol ‘sfeerartikelen’ bij de kringloop dumpt.

Weet je wat, ik sla deze trend gewoon een keer over.

 

 

Ik zocht het woord confettikanon op (en wat er gebeurde zal je verbazen)

Het is nakijktijd en dat betekent dat ik net wat minder sociaal, benaderbaar en praatgraag dan anders door het Benno Premselahuis stap. Wat zeg ik — ik stap zo min mogelijk, ik zit vooral. In een hoekje van de ‘Ruis’ met een koptelefoon op. Na zes portfolio’s mag ik even van mijn plaats komen. Of een stukje schrijven voor ons blog. Dat gaat dan wel over nakijken, ik heb geen ander onderwerp deze week.

Over veelgemaakte (veel gemaakte?) fouten hebben mijn IZOMW-collega’s al vaker geschreven. Maar hoe zit het met de buitenissiger fouten (buiten-nissige? Buiten-issige? Wat is nissig eigenlijk?).

Onze Communicatie-eerstejaars moesten een tekst schrijven waar een ‘confettikanon’ een prominente rol in speelde. Bij het nakijken kwam ik verschillende spellingsvarianten tegen, waarbij ik ‘konfettikanon’ en ‘confetikanon’ probleemloos fout kon rekenen. Veruit de meeste studenten hadden ‘confetti kanon’ geschreven. Onjuist spatiegebruik! Fout! Maar ja, dan stel ik me zo’n eerstejaars voor die het allemaal heel goed wil doen. Die wil toch even checken hoe je dat nou schrijft, en gaat op zoek (opzoek?) op de site van de Hema, grootleverancier van het feestartikel in kwestie. Ha, daar staat het: confetti kanon. De Hema zelf! Daar gaat toch een zekere autoriteit van uit (vanuit?).

Na overleg hebben m’n collega’s en ik deze fout dus wel aangegeven, maar niet als hele fout mee laten wegen voor de taalnorm (> vijf fouten per 500 woorden). Bij studenten die een eerste versie hadden ingeleverd, waarin ik de onjuiste spatie heb aangegeven, heb ik het wél fout gerekend. Nakijkdilemma’s – gelukkig kom ik er meestal wel uit, zeker als ik het buitenissige woord opzoek in het woordenboek.

Zo, nu weer zes portfolio’s.

 

 

Klinkende medeklinkers

Ik hoorde ‘m zojuist weer op de radio: stankhoeftniettestinken.nl. Het verhaaltje rondom de speciale wc-pot is ietwat smerig, maar de slogan bekt lekker. Tenminste, dat vind ik. Dat komt natuurlijk door de alliteratie, een veelgebruikte stijlfiguur die ook wel beginrijm, stafrijm of Germaans rijm wordt genoemd. De herhaling van de beginmedeklinkers – hier st – geeft de zin bijna iets muzikaals. Ik luister niet eens meer naar de boodschap zelf. Alhoewel.
Er is iets raars aan de hand, en dat zit ‘m in de letterlijke betekenis. Stank móét wel stinken, anders spreek je niet van stank, maar van geur of lucht. Tja, daar konden de copywriters vast niks mee, dus: gewoon zo houden. Best wel stronteigenwijs he, die taalcreatievelingen ;-).

Hoe zat het ook alweer? Vergelijking, personificatie en metafoor

Elk jaar rond de herfstvakantie word ik gebeld door een of meerdere verontruste moeders: hun kind snapt het naamwoordelijk gezegde niet of weet niet wat een meewerkend voorwerp is. Of ik wellicht een uurtje kan helpen. Ook deze vakantie is het weer raak. Vanmiddag komt Pien – tweede klas havo/vwo – voor ‘personificatie, metaforen, vergelijking, voorzetselvoorwerp…. zoiets’ (aldus haar moeder). Aha, beeldspraak. Iets met werkelijkheid en (ver)beeld(ing). Dat is inderdaad lastig, echt iets wat ik zelf ook altijd even opzoek.

Een vergelijking noemt de overeenkomst tussen twee dingen: haar lippen waren kersenrood. Of: hij is net zo rijk als Dagobert Duck.
Bij de personifcatie ken je menselijke eigenschappen toe aan iets abstracts: de stoel zuchtte onder mijn gewicht. Of: De wind floot om het huis.
De metafoor (de lastigste, vind ik) heeft veel weg van de vergelijking, je geeft een beeld van wat je bedoelt maar je zegt het in feite minder expliciet dan in een vergelijking; het beeld heeft een overeenkomst met wat je bedoelt: mijn broer leeft in een zwijnenstal. Of (geen borstklopperij, deze voorbeeldzin vond ik op Onze Taal): Kijk die Machteld nou toch eens: het lelijke eendje is een zwaan geworden!

 

 

Vademecum

‘Gebruik het vademecum van collega B.’ hoorde ik laatst in de wandelgangen. Deze collega heeft een boekje voor studenten ontwikkeld, waarin allerhande spelling- en stijlkwesties keurig worden uitgelegd.

Echter, door mijn katholieke roots hoorde ik ‘Vader Mecum’ – en zag een goedlachse grijsaard in klerikale kledij voor me. Helaas kwam ik van een koude kermis thuis: vademecum is geen zielenherder maar een naslagwerk, vernoemd naar het Latijnse ‘ga met mij’. Het vademecum is vaak een naslagwerkje van beperkt formaat, waarin specialistische informatie in overzichtelijke en beknopte vorm wordt weergegeven.

Maar ik noem het gewoon ‘De Bijbel van B’.

 

Fiets

Tijdens een les Tekstschrijven stelde een student een vraag over de naderende taaltoets die alle eerstejaars moeten afleggen. Na mijn uitleg klonk er een opgewekt: “Oh, op die fiets.” Het is in mijn beleving twintig jaar of zelfs langer geleden dat die uitdrukking gemeengoed was, tegenwoordig hoor ik haar zelden meer. Zeker niet uit de mond van jongeren. De herkomst van op die fiets in de betekenis van op die manier is onduidelijk. Het zou Rotterdamse straattaal zijn, maar dat is niet zeker.

Wat me vooral frappeert is dat het ontstaan van het woord ‘fiets’ in nog dikkere nevelen is gehuld. Al sinds het rijwiel in de negentiende eeuw een plaats in het straatbeeld veroverde, wordt er gediscussieerd over de naam. In 1869 deed hoogleraar Matthias de Vries een oproep in het Leidsch Dagblad om een alternatief te verzinnen voor het Franse vélocipède: “In den mond des volks zou het binnenkort onvermijdelijk tot vloospeet verbasteren, en daarmede zou de taal weinig gediend zijn!” De Vries stelde wieler voor. De volksmond bepaalde anders: het werd fiets.

De eerste waarnemingen van fiets en viets in spreektaal dateren van 1870 (Apeldoorn) en 1871 (Leeuwarden). In 1885 herhaalde een andere Leidse hoogleraar de oproep om (rij)wieler te gebruiken, maar toen was het al te laat. In 1886 verscheen het als viets voor het eerst in gedrukte vorm in de Arnhemse Courant en een jaar later als fiets. De naam fiets ‘dreigde het woord rijwiel te overvleugelen,’ zo stelde het tijdschrift Noord Zuid twee jaar later vast.

Maar waarom fiets?

Je zou toch denken dat de herkomst van de naam voor het populairste vervoermiddel in dit land glashelder is, maar nee. Tot op de dag van vandaag breken taalkundigen zich het hoofd over de fiets. Is het toch een verbastering van het Franse vélocipède? Komt het uit een Zuid-Limburgs dialect (vietse: hard lopen, zich snel voortbewegen)? Is het afgeleid van de Wageningse smid en rijwielverhuurder Elie Viets? Van de Apeldoornse fietsvereniging ‘La Vitesse’? Of een onomatopee van een snelle beweging: fts! Voor geen van deze hypothesen blijkt hard bewijs te zijn.

Zes jaar geleden kwamen twee Gentse hoogleraren met een nieuwe theorie. Zij meenden dat fiets zijn oorsprong vindt in het Duitse Vice-Pferd. De fiets kan ten slotte als alternatief vervoermiddel voor het paard worden beschouwd. De bewijzen die de Vlaamse professoren aandroegen voor hun ontdekking werden door Nederlandse taalkundigen afgedaan met een smalend ‘joh, ga toch fietsen’.

Hoe zat het ook alweer? Het boek wat/dat

‘Ik heb een boek gelezen wat hilarisch was’, tipt een student me. Ik schiet in de lach. Ze bedoelt natuurlijk dat het boek hilarisch is, maar feitelijk staat er dat het hilarisch was dat ze een boek las.

Veel studenten vergissen zich met betrekkelijke voornaamwoorden. Dat is niet zo gek, want ze zijn ook best lastig.

Hoe zit het ook alweer?

Met een betrekkelijk voornaamwoord verwijs je naar een ander woord uit dezelfde zin, het zogenaamde antecedent. In de zin ‘het boek dat ik lees’ is boek het antecedent. Met het betrekkelijk voornaamwoord ‘dat’ verwijs je naar het boek. Naast ‘dat‘ zijn er nog andere betrekkelijke voornaamwoorden. Hoe gebruik je ze?

Dat gebruik je om te verwijzen naar het-woorden (onzijdige woorden): Het boek dat ik lees.

Die gebruik je om te verwijzen naar de-woorden (mannelijke of vrouwelijke woorden) of woorden in het meervoud: De vrouw die ik ken. De boeken die ik lees.

Wat gebruik je als het antecedent een hele zin is: Het regent, wat ik heel vervelend vind. Wat gebruik je ook als het verwijst naar onbepaalde woorden (bijvoorbeeld iets, niets, alles, enige) of een overtreffende trap: Ik zag iets wat ik heel grappig vond. Dat is het grappigste wat ik ooit gezien heb.

Welke gebruik je liever helemaal niet omdat het nogal ouderwets is. Maar als je het toch wilt gebruiken, verwijs je ermee naar de-woorden: De formulieren welke ik u stuur.

 

Stageterugkommiddag

Voordat ik in het onderwijs ging werken, had ik nog nooit van het woord ‘terugkomdag’ gehoord. Laat staan van ‘stageterugkommiddag’. Inmiddels weet ik beter; de stageterugkommiddag is een belangrijk moment binnen onze opleiding. Studenten gaan in hun studieloopbaan twee keer op stage, en tijdens elke stageperiode is er een middag op school om hun ervaringen – tot nu toe – te delen met studiegenoten. De ‘stageterugkommiddag’ dus.

Wat een idioot lang woord is dat eigenlijk. Toch schrijf je het volgens de Nederlandse spellingsregels aan elkaar. Het is namelijk een combinatie van woorden die een eenheid vormt. De officiële taalterm hiervoor is samenstelling. Er zijn verschillende typen samenstellingen en je kunt er echt ontelbaar veel maken. Wat dacht je van: socialmediamanagersbijeenkomst, kerstballenhaakjesdoosje en zoetewittewijnkenner (niet te verwarren met zoete wittewijnkenner of zoete, witte wijnkenner)…

Heb je nu opeens dringend behoefte aan een samenstellingopfrismomentje? Hier moet je wezen.

Paard

Met enige regelmaat zeg ik thuis hardop en zonder enige context het woord “paard”. En dan met een harde “p” en een rollende “r”. Mijn dochters van 12 en 14 vinden dat niet vreemd. Zij weten dat ik “paard” een lekker woord vind. Dat komt inderdaad door die “p” en die “r”.

“Paardje” vind ik ook fijn. Weer met die rollende “r”, waarna je kort de tong tussen de kaken klemt en dan “tje” uitspreekt. Ik gebruik het woord graag in voorbeeldzinnen bij de schrijflessen aan mijn studenten. Wanneer ik ze de actieve vorm uitleg bij voorbeeld, zinnen waarin het onderwerp actief iets doet (of denkt): “Het paardje graast in de wei.”

En wat dacht u van “paarrrr-den-lul”. Prachtig woord! Ook zonder rollende “r” zeer de moeite waard. Bij voorbeeld op z’n Amsterdams, als je het uitspreekt als “poaardelul”, met een héél korte “o” die vloeiend overgaat in een niet helemaal helder uitgesproken “a”, en zonder “n”.

Als je “paard” met veel volume uitspreekt – “PAARRRD”- , wordt het de uitroep van een krankzinnige. “Krankzinnig”, ook zo’n fijn woord. Ik mag het graag gebruiken in de artikelen die ik schrijf en in het bescheiden aantal boeken dat ik heb geschreven. “Krank” – ziek- van zinnen. Het bekt zo lekker negentiende-eeuws.

Je ziet ze al krijsend en half ontkleed ronddwalen in hun “krankzinnigengesticht”, ergens op een verlaten landgoed in het Zwarte Woud. Hoge tralieramen, lange gangen met hoge plafonds waar het nachtelijke gejammer lekker lang blijft nagalmen, de geur van groene boenzeep en stront.

In de wereld van de negentiende-eeuwse Amerikaanse schrijver Edgar Allen Poe stikt het van de mensen die “krankzinnig” zijn of bezig zijn het te worden. Ik hou van die wereld van Poe. Om er over te lezen, om films en series te bekijken die zich er afspelen. Het lijkt me minder plezierig om er echt in te leven.

“Plezier”, ook zo’n woord dat ik graag gebruik. De oubolligheid ervan leent zich uitstekend voor ironie: “Het lijkt me niet plezierig om in een negentiende-eeuws krankzinnigengesticht te leven.”

Maar ook: “Het eten van spaghetti met vongole verschaft mij altijd zoveel plezier.” Deze laatste zin moet met een koningin Wilhelmina-achtige intonatie worden uitgesproken, als in een hoorspel uit de jaren vijftig.

In het verlengde van “plezierig” zit “verdrietig”. Heerlijk. Vooral ook omdat het woord zo veel verschillende dingen kan uitdrukken. “Ik ben verdrietig” betekent letterlijk dat de ik-persoon “verdriet” heeft. Maar in de uitroep “verdrietige idioot!” (prachtig woord ook, “idioot”), krijgt het de ironische betekenis van meelijwekkend, maar dan op een neerbuigende manier: “Ik heb echt medelijden met je, verdrietige idioot!”

Maar als je zegt: “Ik vind de uitspraken van minister Blok verdrietig”, dan betekent het weer “betreurenswaardig”, maar dan net iets sterker; je hoort iemand zuchten en ziet hem zijn hoofd schudden.

Zo maakt taal het individu. Je kunt er ook niet aan ontkomen. Onbewust scheppen wij allen ons eigen idioom.

PAARRRD!