Selecteer een pagina

Hoe zat het ook alweer? Palindroom

Vorige week las ik in het AD dat 2 februari 2020 een prachtige trouwdatum is, maar dat Utrechters er niet op zitten te wachten op die dag in de huwelijksboot te stappen. Ik dacht aan dit artikel toen ik gisteren deze tweet van @waaromweetikdit zag: 2 februari 2020 (02-02-2020) is de ultieme palindroomdag. Het is de 33e dag van dit jaar, terwijl er na die dag nog 333 dagen te gaan zijn tot het einde van het jaar. #02022020

Een palindroom is een woord waarin de letters symmetrisch gerangschikt zijn, zodanig dat het woord van achter naar voren gelezen hetzelfde is als van voor naar achter. Kok bijvoorbeeld, of meetsysteem. Er zijn ook palindroomzinnen: De mooie zeeman nam Anna mee zei oom Ed, of Gadsi, ‘t is dag. En, zoals bovenstaande tweet bewijst, palindroomdata en -getallen.

Dat Utrechters er niet voor kiezen zich op die ultieme palindroom dag in de echt te laten verbinden, verbaasde mij aanvankelijk niet: 2 februari valt op een zondag en ik dacht dat je op de Dag des Heren niet kon trouwen. Niets is minder waar. In 32% van de Nederlandse gemeentes kun je op zondag in het huwelijk treden. Nadeel (volgens weddingplanner.nl): je betaalt er bij de gemeente iets meer voor. Voordeel: bijzondere locaties zouden juist goedkoper zijn.

 

Woord van het jaar: niksen

Nieuw jaar, nieuwe trend. En laten wij Nederlanders nu eens bovenop een internationale trend zitten. In 2020 gaat de hele wereld namelijk ‘niksen’. Time voorspelde in de zomer van 2019 al: “Niksen Is the Dutch Lifestyle Concept of Doing Nothing—And You’re About to See It Everywhere.” In het artikel vertelt de auteur hoe goed wij zijn in niksen en hoe belangrijk het is voor de mentale gezondheid. Voor de argeloze buitenlander die denkt, goede trend maar hoe moet ik dat nou aanpakken, zijn er praktische tips (How do people practise niksen). Het beste kun je beginnen met ‘taking a few minutes each day to practice niksen’. De schrik slaat je om het hart als je eraan denkt dat er dus mensen bestaan die níet een paar minuten per dag niksen.

Altijd lollig, dit soort dingen. Maar misschien heeft Time wel degelijk gelijk dat het een Nederlands fenomeen is. Want niksen heeft in het Nederlands maar liefst vijf synoniemen:  luieren, lummelen, luiwammesen, luieriken en het prachtige lanterfanten. En dan hebben we nog – met een klein betekenisverschil – de woorden flierefluiten en slampampen.

Kom daar eens om in onze buurtalen: het Duits heeft faulenzen, het Frans paresser, maar dat is één woord waar wij er zes hebben. Het Engels heeft geen enkel woord. De Italianen hebben niksen uiteraard tot kunst verheven met hun dolce far niente, maar dat zijn drie woorden.

Als je naar het aantal synoniemen kijkt, zou je kunnen zeggen dat Nederlanders een lanterfantend volk zijn. We zijn kampioen deeltijdwerken en de gemiddelde arbeidsduur is volgens het CBS in Nederland slechts 31 uur per week. Toch stijgt het aantal mensen met stressgerelateerde klachten als een burnout ook hier snel. De remedie: “The trend that’s being embraced as a way to combat our increasingly busy and often stressful lives: niksen.”

De bloggers van Ikzegookmaarwat wensen u een lui 2020.

 

 

Hoe zat het ook alweer? Aan elkaar of niet?

Folders met aanbiedingen, ze zijn niet zelden een goudmijn voor een taaldocent. Zo wil ik bij dezen de firma Sligro hartelijk bedanken voor twee fraaie voorbeelden die ik kan gebruiken in mijn bijspijkerlessen Nederlands.

Eén van de onderdelen in die lessen: de samenstelling. Lastig voor veel studenten. Wanneer schrijf je iets aan elkaar en wanneer niet? Met name de drieledige samenstellingen (een bijvoeglijk naamwoord en twee zelfstandige naamwoorden) zijn een bron van verwarring. Waarom schrijf je hogedrukgebieden aan elkaar, maar hoge herenschoenen met een spatie? En bijna geen student die gelooft dat je ingezondenbrievenrubriek aan elkaar schrijft.

Het zit zo. Of je een spatie gebruikt of niet hangt af van de vraag waar het bijvoeglijk naamwoord op slaat. Indien dat betrekking heeft op het laatste deel van de samenstelling, dan gebruik je een spatie. Om het voorbeeld in de vorige alinea erbij te pakken: ‘hoge’ slaat op ‘schoenen’ en niet op ‘heren’. Spatie na ‘hoge’ dus. (Tenzij je speciale schoenen voor hoge heren bedoelt, maar die kom ik niet tegen in de folders.) Maar slaat het bijvoeglijk naamwoord op het eerste deel van de samenstelling, dan schrijf je alles aan elkaar. Zo slaat ‘hoge’ op ‘druk’ en niet op ‘gebieden’ en schrijf je dus hogedrukgebieden. ‘Ingezonden’ slaat op ‘brieven’ en niet op ‘rubriek’.

En soms kan het allebei. Bekend voorbeeld is de langeafstandsloper (iemand die marathons loopt) en de lange afstandsloper (iemand van twee meter die afstanden loopt). Het leuke aan deze kwestie vind ik dat je niet blind de regels volgt á la ’t exkofschip, maar moet nadenken over de betekenis van woorden. Wat wordt er bedoeld?

Goed, die twee voorbeelden uit de folder van Sligro die ik in mijn lessen ga gebruiken. Ze staan hieronder en aan u de vraag: correct gespeld of niet?

Over de eerste, tamme konijnenbouten, kan niet veel discussie zijn, lijkt me. Dat ‘tamme’ slaat volgens mij op ‘konijnen’ en niet op ‘bouten’ (tamme bouten versus wilde bouten, ik geloof er niet in), dus dat moet tammekonijnenbouten zijn.

Dan de tweede, gele roompoeder. Gezien de afbeelding op de verpakking (een tompouce) lijkt mij dat hier poeder wordt bedoeld waarmee je gele room kunt maken, en dan slaat ‘gele’ dus op ‘room’. In dat geval dus geleroompoeder. Maar mocht het poeder geel zijn, dan zou gele roompoeder ook kunnen. Ik zou overigens in het geval van geleroompoeder wel een koppelteken gebruiken (gele-roompoeder), want de vluchtige lezer vraagt zich anders wellicht af wat een geler-oom is.

Nog even terug naar die konijnenbouten: kijk goed uit dat u geen spatie tussen ‘konijnen’ en ‘bouten’ plaatst, want in dat geval kan ‘bouten’ makkelijk als werkwoord (poepen) opgevat worden. En dat kan misverstanden oproepen, zoals in het geval van deze slagerij in Voorburg…

 

Woordenboekspel 16 december 2019

Het Ikzegookmaarwat-Woordenboekspel!

Wat is de betekenis van het woord bourdalou?

 

Verkeerd in goede staat

Als hartstochtelijk marktplaatsspeurder bewonder ik dagelijks de creativiteit van de gebruikers. Marktplaats biedt hulp bij het maken van een advertentie, maar dat kan gelukkig niet voorkomen dat er veel te genieten over blijft. Van een man die zichzelf per ongeluk naakt uploadt in een antieke, geslepen spiegel tot een ontroerende kop als ‘Grijs buro – niet mooi’.

De hoeveelheid foto’s, de belichting, het perspectief en de kwaliteit zeggen weer iets over het kunnen of willen verplaatsen in de klant. Een aangeboden meubelstuk zonder afmetingen is niet serieus te nemen en getuigt van luiheid. Maar vooral de advertentietekst bevat subtiele hints over het leven van de opsteller.

De Britse psychiater Theodore Dalrymple noemt de tatoeage het stigma van de laagste klassen. Het uitroepteken en Caps Lock kunnen er ook wat van. Bij ‘televisiekastje ERG MOOI NOG!!!!!’ verwacht geen hond nog een academisch werk- en denkniveau. Waarom maar één uitroepteken als je er ook zes kan gebruiken om uiting te geven aan je enthousiasme over een televisiekastje?

Bij de occasions ben je ook altijd in goede handen. Een Citroën GSA die ´nog in goede staat verkeerd´ is te mooi om door een automatische controle te laten verbeteren. Net zoals deze, uit mijn persoonlijke archief:

Bargoens

Als er in een Nederlandse televisiekomedie een ‘jongen van het volk’ (m/v) wordt opgevoerd, kun je er donder op zeggen dat hij een Amsterdamse tongval heeft. Denk aan Martin Morero uit Gooische Vrouwen, Melvin uit Jiskefet (ook bekend van Ajax’ officieuze clublied Dit is mijn club) en natuurlijk de voltallige familie Flodder. Naast gemeenteambtenaar Sjakie, de kakkineuze buren en zelfs de SRV-man, die allemaal keurig ABN praten, benadrukt het knauwerige Mokums van ma, Johnny, Kees en Kees hun eenvoudige inborst.

Zoals een koning automatisch majestueuzer wordt met een kroon op, zo krijgt iemand die plat Amsterdams praat als vanzelf iets gezelligs Jordanees, een vleugje ouwejongenskrentenbrood, met misschien een onduidelijk handeltje hier of daar, maar altijd joviaal en lief voor z’n oude moeder.

Wellicht heeft die reputatie van ‘boef met een gouden hartje’ te maken met de vele typisch Amsterdamse woorden die uit het Bargoens stammen. Deze taal stond vroeger bekend als de geheime taal van landlopers en dieven en is nog steeds vervlochten met het oude Amsterdamse dialect. Woorden als ‘gozer’, ‘tof’ en ‘mazzel’ zijn Bargoens, die dáárvoor weer waren gejat (overigens ook Bargoens) uit het Hebreeuws en Jiddisch.

Eén en ander las ik laatst terug in het Bargoens Woordenboek, dat ik ooit voor een tientje op de boekenmarkt aanschafte en nog steeds regelmatig doorblader. Ter vermaak, natuurlijk, maar ook ter lering. Een woord als ‘gozer’ kent namelijk iedereen, maar wat is in godsnaam een kladdertje? Of muimes? Bij een leuter of gelazer kun je je nog iets voorstellen, maar wat betekent het als je ‘een scheet op een plankie timmert’?

Enfin, hoe graag ik ook zou willen: een woord als kladdertje (“publieke vrouw die aan seksuele afwijkingen tegemoetkomt”) hoor je niet gauw meer. Zoals elke taal ontwikkelt ook het Amsterdams zich en is het in de loop der jaren aangevuld met woorden uit het Sranan, Arabisch, Turks en natuurlijk Engels. Pareltjes zoals ‘krankjorum’ verdwijnen daarentegen langzaam naar de achtergrond.

Dat is niet erg. Een levende taal bestaat bij de gratie van zijn sprekers en het Amsterdams van nu weerspiegelt het stadsleven anno 2019. Toch hoort Bargoens net zoveel bij Mokum als een pikketanussie en blijft het een bron van Amsterdams kleurrijke verleden. En hoop ik stiekem op de comeback van de scheldnaam Lulletje Lampekap.

Koppies

Het was een verdrietig moment in het duel tussen WSC en JEKA (2-1) in de Zondagcompetitie 2e klasse E van 3 november jongstleden. Het stond nog 1-1 toen een van de JEKA-spelers in het gezicht werd geslagen door een speler van WSC. “De scheidsrechter zag het, maar gaf onbegrijpelijk slechts geel. Dat moment leek in de koppies te gaan zitten”, sprak JEKA-trainer Bas Liebregts na afloop tegen een verslaggever van BN De Stem.

“In de koppies zitten”, het is een uitdrukking die voorbehouden lijkt aan het jargon van de voetbaltrainer. Ermee wordt bedoeld dat door een incident, of door een reeks nederlagen, er zich onbewust een collectief gevoel van defaitisme in de hoofden van de spelers lijkt te hebben genesteld. Dat “er niet meer in geloven” kan dus slechts één wedstrijd duren, maar ook een langere periode, en soms een heel seizoen.

“Je zag de angst in de koppies kruipen”, is er eentje in hetzelfde genre. Of: “Na de goal in de 80e minuut zag ik de koppies bij de jongens een beetje gaan hangen, want je bent zo dichtbij een succesmoment en dan valt het weg. Als je dan, toch onverwacht, nog gelijk maakt, is dat heel erg lekker”, aldus Ferry van der Meulen, hoofdtrainer van GeuzenMiddenmeer na het gelijkspel van zijn team uit tegen Pancratius in www.hetamsterdamschevoetbal.nl.

Toch heeft het iets infantiels, dat gebruik van het woord “koppies” voor volwassen mannen in de bloei van hun leven. Plotseling lijken het weer f’jes die aanvankelijk dartel over het veld huppelen om dan in een stromende ijsregen met 15-0 te worden afgedroogd waarna ze met “hangende koppies” en betraande oogjes de troostende armen van hun ouders opzoeken. Het tekent de verhouding tussen de coach en zijn spelers, als die van een vader en zijn zoons.

In het vrouwenvoetbal ben ik de uitdrukking nog niet tegengekomen. “Koppies” past om een of andere reden minder bij meisjes dan bij jongens. En hoewel infantiel, heeft het ook iets liefs dat “koppies”, en is het ook niet gespeend van enige tragiek. Jaap Stam, voormalig hoofdtrainer van Feyenoord, zag vaak “hangende koppies” van het veld komen. Na verloop van tijd begon zijn indrukwekkende kop ook steeds meer te hangen. Het lukte hem niet om “het” uit de koppies te krijgen. Stam werd ontslagen. En daar is niks kinderachtigs aan.

 

OK boomer

In mijn lijstje van ‘dingen waar ik een hekel aan heb omdat ze mensen in grote groepen in hokjes duwen terwijl een mens als individu eindeloos complex, tegenstrijdig en verrassend is’ staat generatiedenken bij mij maar net iets lager dan astrologie. Natuurlijk begrijp ik dat collectieve ervaringen van invloed zijn op je wereldbeeld, en dat het best verschil maakt of je op je veertigste of op je achtste voor het eerst een iPhone vasthoudt. Maar ik ben er niet dol op, dat toekennen van allerlei kenmerken aan grote groepen mensen die weinig meer gemeen hebben dan hun geboortedecennium.

Toch – daar heb je die tegenstrijdigheid al – vermaak ik me nogal met de internetmeme ‘OK boomer’: een heerlijk kernachtige uitspraak waarmee ieder jong persoon ieder ouder persoon af kan kappen. Lisa Bouyeure duidde het verschijnsel vorige week in de Volkskrant. En iedereen die wel eens op Twitter komt (ouderenmedium bij uitstek, maar ok), is het talloze malen tegengekomen.

De term boomer verwijst naar de babyboomgeneratie, die in de naoorlogse geboortegolf tussen 1945 en 1955 ter wereld kwam. Daar wordt niet heel strikt op gelet bij het ok-boomeren. Ikzelf (een ‘gen-X’er’ uit 1968) ben ook al ‘boomer’ genoemd, na een mislukte grap waar mijn kinderen hevig om moesten eye-rollen.

Als iemand ‘ok boomer’  tegen je zegt, kun je daar heel boos om worden, of woest beweren dat je niet eens een babyboomer bent, maar daarmee lever je juist het bewijs dat je er niks van snapt en een suffe boomer bent. Het is net als iemand koppig noemen: hoe harder je tegenstribbelt en beweert dat je helemáál niet koppig bent, hoe koppiger je doet. Typerend voor de boomer is het starre vasthouden aan het eigen perspectief, zo legde mijn dochter me uit. Volgens haar is dat hele ‘ok boomer’ een reactie op de manier waarop babyboomers vaak over jongeren praten: ‘Verwende millennials, Generation Z die alleen maar op z’n telefoon zit te prullen, dat soort dingen.’ ‘Hoe moet je dan wél reageren als je boomer wordt genoemd,’ vroeg ik. Na enig nadenken zei ze: ‘Dan zeg je: nou, dat mag jij vinden. Een beetje zoals the Dude. That’s just like, your opinion, man.’ Mooier kan het niet: mijn favoriete babyboomer, stonede hippie Jeffrey Lebowski, toont zich de ware antiboomer. Complex en tegenstrijdig, ik zei het al.