Selecteer een pagina

Opgroeiend als kind van importouders in het oosten van het land ken je razendsnel de dwingende kracht van dialect en accent. Een kind wil vooral niet opvallen of afwijken. Ik sprak een vrij kleurloze vorm Nederlands, maar dat bleek natuurlijk al ruim voldoende om mij als kakker te kwalificeren. Dus ik verlengde heel geleidelijk mijn klinkers.

Toen dat werd geaccepteerd experimenteerde ik verder en slikte ik af en toe een lettergreep in. Ik kreeg er schik an. We hadden voortaan ook geen hoofdpijn meer, maar ‘pien in ’t dak’. Iemand liep niet te zeiken maar ‘was an ’t neulen’ en een vrouw zonder bh had ‘de keuntjes los in ’t kot’; de varkentjes los in het hok.

Het verkleinde niet alleen de afstand tot vriendjes, hun ouders en leraren. Ook de elektricien en de meneer van de cv-ketel ontspanden merkbaar bij hun kopje koffie. Ik geneerde me als mensen probeerden om hun accent te verstoppen voor mijn familie. Ik geneerde me nog meer als mijn ouders probeerden dialect te spreken. Het werd me snel duidelijk: communiceren is zo dicht mogelijk langs elkaar heen praten.

In Herman Finkers’ film ‘De Beentjes van Sint-Hildegard’ wordt op zijn allermooist langs elkaar heen gepraat. Finkers schreef een scenario met dialogen die voelen als dansen. Het is een troostrijk woordspel, doorspekt met klassiek Twentse uitdrukkingen. Als je Önder d’n droad deur vret ga je vreemd en als de verkering uit is, dan he’j ‘t nust onder ‘n boom lig’n. Het maakt weemoedig dat Twentse ouders hun kinderen nooit meer in deze rijke taal zullen opvoeden, waardoor die ten dode is opgeschreven. Finkers heeft er in ieder geval weer een liefdevol monument voor opgericht.