Selecteer een pagina

IJsberen, mollen en spinnen

Ik maakte een afspraak met collega Suzanne voor een overlegje. De vraag is dan tegenwoordig: bellen of via Teams?

Suzanne was daar vrij uitgesproken over: “Bellen, want dan kan ik ijsberen!”. Een wijs besluit, dat ik sindsdien ook vaker neem. Voor je het weet zit je de hele dag alleen maar naar een scherm te kijken en ertegen te praten.

IJsberen betekent: rusteloos heen en weer lopen. Zoals ijsberen in kooien in dierentuinen doen. Volgens een artikel in het blad Onze Taal (te lezen op de Etymologiebank) is het Nederlands de enige taal waarin dit gedrag van ijsberen tot werkwoord is verheven. In het Duits is het bijvoorbeeld ‘herumtigern’, want ook tijgers in gevangenschap vertonen dat gedrag.

Het bracht me op de vraag hoeveel ‘dierenwerkwoorden’ er zijn. Spontaan kwam ik op mollen, spinnen, vliegen, tijgeren en mieren, maar bij enig speurwerk op internet bleek de collectie nog veel uitgebreider. En hadden creatieve twitterende taalliefhebbers er zelfs een naam voor bedacht: zoöniemen.

Sterker nog, er was zelfs al een subcategorie benoemd, de manlijke zoöniemen met testosteroncomponent: hengsten, stieren, rammen en bokken.

Daarnaast is er nog een onderscheid mogelijk in werkwoorden die wel en die niet zijn afgeleid van eigenschappen van dieren. Kauwen heeft bijvoorbeeld niks met de betreffende vogel te maken, maar tijgeren wel met de beweging van een tijger.

Zo leuk kan taal zijn!

Ik pleit er overigens voor om nog een subcategorie te onderscheiden: de werkwoorden die precies overeenkomen met de meervoudsvorm van het zelfstandig naamwoord. Ezelen, tijgeren en hamsteren zijn fraaie woorden, maar je hebt het over twee ezels, drie tijgers en vier hamsters. Kraaien, mollen, ijsberen, spinnen, zwijnen en mieren, om er een paar te noemen, hebben daarentegen de mooie eigenschap dat ze zowel een werkwoord als een meervoudsvorm aanduiden.

In memoriam: Erika Arps

Tot ons grote verdriet is maandagochtend vroeg onze collega-docent en medeblogger Erika Arps overleden. Ze was pas 55 jaar. Erika was een taalliefhebber pur sang en leverde sinds 2017 met enige regelmaat bijdragen aan ons blog. Vorig jaar moest ze vanwege ziekte een tijd afhaken, maar aan het begin van dit collegejaar pakte ze de draad weer op. Opgewekt en vol goede moed, zoals Erika altijd opgewekt en vol goede moed was. Haar bijdrage eind september zou haar laatste zijn. We verliezen een kundige, hardwerkende en bovenal ontzettend fijne collega. We wensen haar gezin, familie en vrienden veel sterkte toe in deze moeilijke tijd.

Woordenboekspel 13 oktober 2020

Het Ikzegookmaarwat-Woordenboekspel!

Wat is de betekenis van het woord aalt?

 

Versteend

Ons taalblog bestaat sinds januari 2014 en de uitdrukking in levenden lijve hebben we in de eerste zes en een half jaar van ons bestaan nooit gebruikt. Maar rond de zomer dook in levenden lijve tot twee keer toe op in blogposts.

Dat heeft uiteraard te maken met de huidige omstandigheden. Het is niet meer vanzelfsprekend dat je iemand in levenden lijve ziet. Ik constateerde dat de uitdrukking ook meer dan gemiddeld voorkwam in mijn berichten aan anderen: “Ik hoop je snel weer eens in levenden lijve te zien.”

Dat weet ik omdat ik altijd nauwkeurig check of ik de uitdrukking goed heb geschreven. En dat de spellingscorrectie er niet iets anders van maakt. “Ik hoop je snel weer eens in levende lijven te zien” is geen fijne afsluiter.

In levenden lijve is een voorbeeld van een zogenoemde staande of versteende uitdrukking. Volgens de huidige regels van spelling en grammatica klopt het niet, maar het is wel geaccepteerd Nederlands. Ooit klopte de uitdrukking namelijk wel en we hebben er geen afscheid van genomen.

Veel versteende uitdrukkingen hebben oude naamvalsvormen die we nu niet meer kennen in het Nederlands.

In vroeger tijden kregen bijvoeglijke naamwoorden die bij een mannelijke of onzijdig zelfstandig naamwoord hoorden, na een voorzetsel de uitgang -en. In levenden lijve dus, en ook in groten getale en met voorbedachten rade.

Bijvoeglijke naamwoorden die bij een vrouwelijk zelfstandig naamwoord hoorden, kregen na een voorzetsel de uitgang -er. In vroeger tijden dus, en ook te goeder trouw en van ganser harte.

Die naamvallen hadden we volgens Nicoline van der Sijs, die onderzoek doet naar de geschiedenis van onze taal, te danken aan het Duits. In de zeventiende eeuw kwamen veel immigranten, onder wie bijbelvertalers, uit het oosten naar Hollandse steden.  Het Duits kende ook toen al mannelijke en vrouwelijke woorden en naamvallen.

Het Nederlands had die niet, maar taalkundigen in die tijd beschouwden dat als een tekortkoming. Een beschaafde taal had naamvallen, zo vonden ze. En een onderscheid in mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden. En zo lukte het sommige vooraanstaande lieden in de zeventiende en de achttiende eeuw om de standaardtaal stevig te beïnvloeden, aldus Van der Sijs.

Maar heftige twisten over hoe we iets moeten schrijven zijn van alle tijden, dus niet geheel verrassend ontstond er op een gegeven moment een anti-naamvallenbeweging.

Belangrijke vertegenwoordiger van die stroming was taalkundige Roeland Anthonie Kollewijn. In 1891 publiceerde hij het uiterst lezenswaardige en verrassend actuele opstel Onze lastige spelling. Een voorstel tot vereenvoudiging, ook online te lezen.

Daarin pleit Kollewijn ervoor dat de spreektaal leidend moet zijn. En niet allerlei gekunstelde regeltjes van de heren De Vries en Te Winkel, die de spellingsvoorschriften van die tijd hadden bedacht.

Verschil tussen de en het: prima. Maar dan ook nog een onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke woorden? Met consequenties voor de uitgang van het bijvoeglijke naamwoord? Hou eens op! Dat ze het in andere talen zo doen, dat moeten de Fransen en de Duitsers weten, maar val ons Nederlanders er niet mee lastig.

Evenals wij reeds als kleine kinderen (niet op school, maar in ‘t ouderlijk huis) voor altijd leeren, wanneer wij het en wanneer wij de moeten zeggen, leert de Franschman wanneer hij le en wanneer la, de Duitscher wanneer hij der, des, dem, den, die of das gebruiken moet. Vraag een Duitschen polderjongen of men zegt der of die Kittel en hij zal u het antwoord niet schuldig hoeven te blijven; vraag een beschaafd Nederlander of gij schrijven moet: “de jongen trok een schoone of een schoonen kiel aan” en hij zal u zeggen: “ik geloof. . . maar zeker weet ik het niet;” of: “kijk maar eens in de Vries en te Winkel.”

Het duurde even voordat Kollewijn zijn zin kreeg. Maar in 1934 gaf de toenmalige minister van Onderwijs Marchant zijn fiat aan de meeste voorstellen van Kollewijn, zodat die leidend werden in het onderwijs in Nederland. Scholieren hoefden niet meer te weten of een woord mannelijk of vrouwelijk was en het bijvoeglijk naamwoord dus op -e, -en of -er moest eindigen.

De versteende uitdrukking kent voor- en tegenstanders. Zo schrijft de redactie van de site beterspellen.nl: “De [versteende] uitdrukkingen hebben vaak een officieel tintje, maar dat kan ook worden opgevat als oubollig. […] Het is vaak beter om gewoon te schrijven wat je bedoelt.” En dan volgt een lijstje met suggesties zoals noodgedwongen voor in arren moede en in eigen persoon voor in levenden lijve.

Tsja… Taal is wat mij betreft niet louter functioneel, maar evenzeer een creatieve uiting, een manier om wat kleur en franje in het leven te brengen, een blik op het verleden. Dus het zal duidelijk zijn: ik ben blij dat de versteende uitdrukkingen de tand des tijds doorstaan.