Selecteer een pagina

Riante living

Er is weinig zo lekker als een rondje huizen kijken op Funda. Vooral op momenten dat ik het eigenlijk heel druk heb, gaat er niets boven een halfuurtje ongegeneerd loeren in andermans woon- en slaapkamers – wat trouwens ook het leukste is van dat hele online onderwijs.

De letters HOME in de vensterbank, de strategisch geplaatste koffietafelboeken, plus de wetenschap dat alle rondslingerende zooi voor de foto naar de andere kant van de kamer is geharkt: heerlijk.

Waar ik vooral vrolijk van word is het typische makelaarstaaltje. Funda is een feest voor iedereen die van taal houdt, in het bijzonder van ronkend verkopersjargon. In gedachten zie ik altijd een tikje corporale dertiger in een Suit Supply-pak, die mij handenwringend probeert warm te maken voor ‘de riante living’ en de keuken ‘met moderne inbouwapparatuur’.

Verder valt op dat makelaars een uitzonderlijk grote voorkeur hebben voor de woorden ‘welke’ en ‘middels’. Zo zag ik voorbijkomen: ‘Geweldig appartement welke direct te betrekken is. (…) Middels de entree van het appartement bereikt u de royale hal. (…) Vanuit deze riante kamer heeft u een prachtig uitzicht middels de erker aan de voorzijde.’ Vanwaar die fetisj met dat malle, ambtelijke taalgebruik?

Bij een huis in het duurdere segment (over jargon gesproken) staat: ‘In de hal treft u een separaat toilet met fontein (…) Op de vierde verdieping is de woning voorzien van een fijne zolderkamer, welke thans in gebruik is als kantoor- en logeerruimte.’ Ik denk dat er überhaupt geen mensen zijn van na 1948 die het woord ‘thans’ nog gebruiken.

Het is een veelvoorkomende misvatting dat je extra professioneel overkomt als je dure woorden gebruikt. Ik word er een beetje lacherig van, terwijl dat me juist niet de bedoeling lijkt. Iemand die mij een huis wil verkopen met de tekst ‘Geheel onder architectuur verbouwd tot in de details’ kan ik, eerlijk gezegd, niet heel serieus nemen. Klinkt lekker, maar wat stáát er in godsnaam?

Wel jammer van dat huis van 1.6 miljoen. Ik zag mezelf al helemaal zitten in mijn riante living.

 

Jij en ik (en poes)

Nu zijn er natuurlijk veel redenen om nooit aan kinderen te beginnen. Nachtelijke verzoeken om een mug weg te jagen bijvoorbeeld, of lekkend softijs met spikkels waarvan de helft al in het zand is gevallen, of Bumba. Mocht je echter, zoals ik, een bovengemiddelde interesse hebben in taal, dan is een nakomeling misschien toch het overwegen waard. Ik blijf het althans fascinerend vinden om elke dag te aanschouwen hoe een kind, in casu mijn dochter van vierenhalf, wegwijs wordt in haar moedertaal. En het bijzondere is: hoeveel taalkundige zijweggetjes kinderen ook inslaan, uiteindelijk vinden ze allemaal hun weg.

Toen mijn dochter voor het eerst begon met praten, heb ik een paar maanden een lijstje bijgehouden van de woorden die ze gebruikte. Afgezien van klassiekers als ‘papa’, ‘die’ en ‘bah’, vermaande ze met anderhalf jaar kennelijk al regelmatig onze kater met ‘Nee nee, poes!’ Niet veel later, zo heb ik genoteerd, kon ‘nee poes’ echter ook iets anders betekenen, namelijk: ‘geen poes’, oftewel: poes is weg. Later maakte ze hier varianten op als ‘Papa nee baat’ (papa heeft geen baard) en ‘Nee doen!’ (niet doen).

Nog leuker werd het toen ze begon te experimenteren met de begrippen ‘ik’ en ‘jij’. Een geagiteerd ‘Jij doen!’ was dan geen opdracht aan mij, maar juist een teken dat ze iets zélf wilde doen – maar omdat de rest van de wereld haar natuurlijk aanspreekt met ‘jij’, dacht ze in eerste instantie dat dat altijd op haarzelf sloeg.

Inmiddels zijn we een paar jaar verder en ouwehoert ze menigeen de oren van het hoofd, inclusief onze al eerder genoemde kater. Het ‘nee nee, poes’ heeft inmiddels plaatsgemaakt voor: ‘Kijk poes, ik heb een tekening gemaakt. Vind je hem mooi? Poes? Kijk dan. Nee, hier.’ Als die na lang aandringen tenslotte reageert met een verveeld ‘mwow’, zegt ze triomfantelijk: ‘Zie je, hij zegt dat hij mijn tekening vet mooi vindt.’ We laten haar maar in de waan.

Bullshit Lingo

Omdat ik als docent tekstschrijven natuurlijk de vakliteratuur bijhoud, blader ik regelmatig door glossy’s als Beau Monde, Elle en Marie Claire. Beroepsmatig werk ik me dan door een interview met Estelle hier, een portret van Leontine daar (lullig hè, van de scheiding), de garderobe van Sylvie zus en een sfeerreportage van Doutzens ontslakkingskuur zo. Na deze vaak wat academisch aandoende kost volgen gelukkig de beautyrubrieken. Naast crèmes van een half maandsalaris (‘een diepte-investering’) vind je daarin limited edition eye shadow palettes, must-have mascara’s om je lashes een zekere oomph te geven en signature lipsticks om je pout te maximizen. Heerlijk vakjargon. Geen idee wat er staat.

Hoewel? Als lezer krijg je wel een bepaald gevoel bij dit soort glitterlingo. Een flawless smokey eye wordt geassocieerd met een diner in een chique restaurant, zo is de gedachte. Een ‘zwart streepje over je wimperrand’ doet daarentegen denken aan bloemkool met aardappelen en een schaaltje vla toe. Je zou het een vorm van beeldend schrijven kunnen noemen: fancy taalgebruik om de lezer een zeker mondain gevoel te bezorgen.

De ongekroonde verkoopkoning van dit gevoel is, wat mij betreft, de tekstschrijver in dienst van parfumerie Skins. Kennelijk krijgt hij de opdracht om exclusieve geuren van een uitgebreide omschrijving te voorzien – en dat laat ‘ie zich geen twee keer zeggen.

Zo las ik over ‘een huisgeur die een explosie van sensualiteit belichaamt’, wat niet eens slecht uitkomt op Valentijnsdag. Ook ben ik benieuwd naar de kaars die de kamer van een geur voorziet ‘welke comfort en luxe met zich meebrengt’, niet de verwarren met de kaars die een ‘houtachtige geurnoot’ [heeft] ‘met fruitig, bitter en taart-akkoorden’. Met stip bovenaan mijn verlanglijstje staat een parfum (à 255 euro) dat als ‘een huwelijk tussen twee moderne silhouetten’ [is], ‘sterk geworteld in de geest van de tijd. Een ware wervelwind van de zintuigen.’ Zie dat nog maar eens te weerstaan! De taalfouten vergeef ik de schrijver met liefde.

Dat beeldend schrijven niet alleen is voorbehouden aan verfijnde woordkunstenaars bewijst Bart Kaas, marktkoopman op de Albert Cuypmarkt, die aldaar (u raadt het al) kaas verkoopt. Toen ik daar laatst in de rij stond voor een pondje belegen, viel mijn oog op een kartonnen bord met daarop: ‘Boeren Gaten Kaas. Met zo’n ouderwetse stalsmaak’. Het beeld dat dát oproept heeft vooral te maken met de binnenkant van de wc-pot.

Bargoens

Als er in een Nederlandse televisiekomedie een ‘jongen van het volk’ (m/v) wordt opgevoerd, kun je er donder op zeggen dat hij een Amsterdamse tongval heeft. Denk aan Martin Morero uit Gooische Vrouwen, Melvin uit Jiskefet (ook bekend van Ajax’ officieuze clublied Dit is mijn club) en natuurlijk de voltallige familie Flodder. Naast gemeenteambtenaar Sjakie, de kakkineuze buren en zelfs de SRV-man, die allemaal keurig ABN praten, benadrukt het knauwerige Mokums van ma, Johnny, Kees en Kees hun eenvoudige inborst.

Zoals een koning automatisch majestueuzer wordt met een kroon op, zo krijgt iemand die plat Amsterdams praat als vanzelf iets gezelligs Jordanees, een vleugje ouwejongenskrentenbrood, met misschien een onduidelijk handeltje hier of daar, maar altijd joviaal en lief voor z’n oude moeder.

Wellicht heeft die reputatie van ‘boef met een gouden hartje’ te maken met de vele typisch Amsterdamse woorden die uit het Bargoens stammen. Deze taal stond vroeger bekend als de geheime taal van landlopers en dieven en is nog steeds vervlochten met het oude Amsterdamse dialect. Woorden als ‘gozer’, ‘tof’ en ‘mazzel’ zijn Bargoens, die dáárvoor weer waren gejat (overigens ook Bargoens) uit het Hebreeuws en Jiddisch.

Eén en ander las ik laatst terug in het Bargoens Woordenboek, dat ik ooit voor een tientje op de boekenmarkt aanschafte en nog steeds regelmatig doorblader. Ter vermaak, natuurlijk, maar ook ter lering. Een woord als ‘gozer’ kent namelijk iedereen, maar wat is in godsnaam een kladdertje? Of muimes? Bij een leuter of gelazer kun je je nog iets voorstellen, maar wat betekent het als je ‘een scheet op een plankie timmert’?

Enfin, hoe graag ik ook zou willen: een woord als kladdertje (“publieke vrouw die aan seksuele afwijkingen tegemoetkomt”) hoor je niet gauw meer. Zoals elke taal ontwikkelt ook het Amsterdams zich en is het in de loop der jaren aangevuld met woorden uit het Sranan, Arabisch, Turks en natuurlijk Engels. Pareltjes zoals ‘krankjorum’ verdwijnen daarentegen langzaam naar de achtergrond.

Dat is niet erg. Een levende taal bestaat bij de gratie van zijn sprekers en het Amsterdams van nu weerspiegelt het stadsleven anno 2019. Toch hoort Bargoens net zoveel bij Mokum als een pikketanussie en blijft het een bron van Amsterdams kleurrijke verleden. En hoop ik stiekem op de comeback van de scheldnaam Lulletje Lampekap.

Spaans

Het zal ergens eind jaren ’80 geweest zijn. Op een zaterdagmiddag in november maakte Sinterklaas zijn opwachting in een Hilversumse winkelstraat – en natuurlijk stond ik, als vroom gelovige, om het hardst sinterklaasliedjes mee te zingen. Na een rondje te paard langs de plaatselijke Blokker en V&D, nam de sint op een winderig pleintje plaats in een zetel. Daar nam hij de tijd om met kinderen op de foto te gaan, in wangetjes te knijpen en over bolletjes te aaien.

Toen ook ik aanstalten maakte om wat pepernoten te scoren, trok mijn vader me aan mijn jas. ‘Weet je wat je moet doen?’ vroeg hij samenzweerderig. ‘Je moet iets in het Spaans tegen hem zeggen. Sinterklaas woont toch in Spanje? Dat vindt ‘ie vast leuk!’ En dus zat Sint even later met een Spaans ratelende kleuter op schoot, zich afvragend hoe hij zich hieruit zou gaan redden. Even verderop stond mijn vader het tafereeltje grijnzend gade te slaan. Hij wel.

Leuk hoor, opgroeien bij een Nederlandse vader en een Spaanse moeder. Als kind kletste ik weleens met de panfluit spelende Peruanen in het winkelcentrum, als puber schreef ik spiekbriefjes voor economie of geschiedenis in het Spaans; dan kon ik altijd zeggen dat het gewoon een boodschappenlijst was.

Hoewel ik me verder hartstikke Nederlands voelde, heb ik het Spaans altijd een fijne aanvulling gevonden – naast de taal waarin ik ook nu nog het meest met mijn moeder praat. Tot op de dag van vandaag wordt bij mijn ouders thuis zowel Nederlands als Spaans gesproken. En nog steeds leidt dat regelmatig tot een vraag als: ‘Mam, me quieres dar el afstandsbediening?’

Inmiddels heb ik een dochter (4), die op haar beurt weer een Spaanse oma heeft. In de gesprekjes die die twee voeren hoor ik mijn eigen jeugd voorbijkomen, vaak in de vorm van liedjes en rijmpjes die ik allang vergeten was. Als over een paar weken Sinterklaas weer in het land is, gok ik dat dit wordt aangevuld met een lollig bedoeld verzoekje van opa, om de dienstdoende sint in de zeik te nemen. Sint: u bent gewaarschuwd.