Selecteer een pagina

Hannes Minnaar

Ik liep vorige week langs onderstaande abri waarop een pianoconcert werd aangekondigd. Maar ik las het met een half oog en dacht dat het een reclame betrof voor een nieuwe roman.

Zeg nou zelf, Hannes Minnaar, dat is toch een geweldige naam voor een boektitel?

Je ziet de flaptekst al voor je:

‘Hannes Minnaar is een meeslepende en meesterlijk gecomponeerde roman, waarin de koele zakenvrouw Hanne in een duivels ménage à trois verstrikt raakt en evenals haar ziekelijke echtgenoot Charles valt voor de charmes van de inwonende conservatoriumstudent Hector, getalenteerd pianist, ongemeen ambitieus en met een duistere kant die gaandeweg de overhand krijgt.’

‘Een adembenemend en donker liefdesverhaal, dat crescendo afstevent op de onvermijdelijke dramatische climax.’ Marie-Cécile van Dunk, Algemene Courant.

‘Stomende seks op de Steinway. Lekker.’ Hein Geuzenwoud, de Gazet van Gorinchem.

Mijn initiële verwarring over de naam Hannes Minnaar komt door het ontbreken van een apostrof. Studenten hebben vaak moeite met de apostrof en de bezits-s. Ze schrijven ‘Hanne’s minnaar’ of vermijden het liever en zeggen ‘Hanne haar / Hannes zijn minnaar’.

De hoofdregel is dat de bezits-s aan de naam vast wordt geschreven. Betreft het de geliefde van een vrouw genaamd Hanne, dan schrijf je Hannes minnaar. Gaat het om een amourette van de jongeman Hannes, dan is het Hannes’ minnaar. Woorden die op een sisklank eindigen krijgen namelijk een apostrof om duidelijk te maken dat sprake is van een bezitsvorm. Die sisklank is trouwens rekbaar, ook de z en de x vallen eronder: Inez’ jurk, Alex’ sokken. En verder lettercombinaties die als s, sj, tsj, zj of dzj worden uitgesproken: Bush’ vader, Barentsz’ pooltocht.

Uitspraak speelt ook een rol bij het gebruik van de apostrof. Eindigt een naam op een lange (vrije) klinker, dan is er een apostrof nodig om verkeerde uitspraak te voorkomen: Mia’s geheim, Oma’s recept, Emmy’s viool. Dat geldt niet voor de é, dan kan de apostrof achterwege blijven: Andrés kostuum, Aimées afscheid.

Terug naar Hannes Minnaar. De Zeeuwse pianist debuteerde afgelopen zondag met een recital in de Grote Zaal van het Concertgebouw in Amsterdam. Het was vast Hannes’ droomdebuut.

 

 

Godverdomme

Blunder tijdens live-uitzending Radio 1”, kopte de Telegraaf gisteren. Nieuwsgierig klikte ik op de link en viel in een gesprek tussen presentator Lara Rense en correspondent Wessel de Jong over KLM-Air France. Er ging kennelijk iets mis met de verbinding en zowel Lara als de luisteraars hoorden een hartgrondig ‘godver’ over Wessels lippen komen. Lara reageerde ad rem en improviseerde professioneel. Je bent een door de wol geverfde presentator of niet. Tot zover de ‘blunder’. 

Een van de eerste dingen die ik dertig jaar geleden als beginnend nieuwslezer leerde was: ‘Vloek nooit tijdens de uitzending en verklaar niemand de oorlog’. Je weet immers nooit zeker of de microfoon wel écht dicht staat. Terug naar de vloek van Wessel. Wie of wat vervloekte hij met zijn ‘godver’? De Almachtige? De falende techniek? Zichzelf? Dat laatste, want ‘godverdomme’ is een zelfverwensing. De oorspronkelijke betekenis van deze samentrekking stamt uit het Middelnederlands en luidt ‘God moge of God moet mij verdoemen (als ik de waarheid niet spreek)’.

Godverdomme was begin twintigste eeuw zelfs onderwerp van een moraaltheologische discussie in Nederland en Vlaanderen, met als belangrijkste deelnemers pater Aertnys, monseigneur Waffelaert en professor Dignant. Inzet was de vraag of godverdomme nu godslasterlijk was of niet. En zo nee, wat het dan wel was. Als je met godverdomme God verdoemde, de verdoemenis wenste aan God, dan was het voor de christen een doodzonde. De commissie kwam tot de slotsom dat het geen godslastering was, maar een zelfverwensing en dus geen doodzonde.

Maar wie godverdomme toch als blasfemie in de oren klinkt, kan gerust stevig van zich af vloeken met een grappige of eufemistische klankvariant als potdikkeme, potdomme, potdorie, potdosie, potdulle, potjandorie, potjandosie, potjandriedikkie, potjandriedubbeltjes, potsamme, pottedorrie, potver, potverblommekes, potverbrillepap, potverdekke, potverkoffie, potverdepotver(depotver), potverdikke, potverdikkeme, potverdikkie, potverdimme, potverdomd, potverdomme, potverdonderdag, potverdorie, potverdrie, potverdriedubbeltjes, potverdulle, potverdulleme, potverdumme, potvergeme, potverjandorie, potverjandriedubbeltjes, potverju, potverpielekes, potverpiemeltjes, potversnitjekus, snotdomme, snotdorie, snotdosie, snotjandoppie, snotsie, snotter, snotters, snottomme, snotver, snotverdee, snotverderrie, snotverdikke, snotverdikkeme, snotverdikkie, snotverdimme, snotverdomme, snotverdoppie, snotverdorie, snotverdrie, snotverdubbe, snotverdulleme, snotvergeme, snotverpielekes, snotversnaatje, snotversnooie, snotversnuppie.

(Bovenstaande opsomming komt uit Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede en frustratie van P. van Sterkenburg, Sdu Uitgevers. Meer over vloeken: in september 2018 verschenen bij uitgeverij Lannoo Het Groot Nederlands Vloekboek en Het Groot Vlaams Vloekboek)  

Zwoksels

Niet het leukste begin van een les Tekstschrijven: bij het opstarten van PowerPoint ontdekken dat het projectiescherm op zwart blijft. Gelukkig komt de vliegende kiep van de technische dienst snel om het euvel te verhelpen. Intussen vertel ik de eerstejaars dat tijdens mijn allereerste les Tekstschrijven hetzelfde gebeurde en ik met klotsende oksels het college uit mijn hoofd moest geven. “U had zwoksels!” roept een studente vrolijk.

Zwoksels. Een samentrekking van zweet en oksels. Briljant in zijn eenvoud. Na de les leert een korte speurtocht op internet dat de term zwoksels al zeker vier jaar gangbaar is. Sites als het straatwoordenboek en Urban Dictionary maken er melding van. Een columniste van de Limburger schreef er in 2014 over. In het klaslokaal heerst die ochtend verbazing over mijn onwetendheid: “Wat? Kent u zwoksels niet?” “Je kunt ook last hebben van een zwanus!” roept een andere student. Een derde vult aan: “Of van een zwut!”

Ook treffend (en nogal goor), maar niet zo pakkend als zwoksels, vind ik.

Fiets

Tijdens een les Tekstschrijven stelde een student een vraag over de naderende taaltoets die alle eerstejaars moeten afleggen. Na mijn uitleg klonk er een opgewekt: “Oh, op die fiets.” Het is in mijn beleving twintig jaar of zelfs langer geleden dat die uitdrukking gemeengoed was, tegenwoordig hoor ik haar zelden meer. Zeker niet uit de mond van jongeren. De herkomst van op die fiets in de betekenis van op die manier is onduidelijk. Het zou Rotterdamse straattaal zijn, maar dat is niet zeker.

Wat me vooral frappeert is dat het ontstaan van het woord ‘fiets’ in nog dikkere nevelen is gehuld. Al sinds het rijwiel in de negentiende eeuw een plaats in het straatbeeld veroverde, wordt er gediscussieerd over de naam. In 1869 deed hoogleraar Matthias de Vries een oproep in het Leidsch Dagblad om een alternatief te verzinnen voor het Franse vélocipède: “In den mond des volks zou het binnenkort onvermijdelijk tot vloospeet verbasteren, en daarmede zou de taal weinig gediend zijn!” De Vries stelde wieler voor. De volksmond bepaalde anders: het werd fiets.

De eerste waarnemingen van fiets en viets in spreektaal dateren van 1870 (Apeldoorn) en 1871 (Leeuwarden). In 1885 herhaalde een andere Leidse hoogleraar de oproep om (rij)wieler te gebruiken, maar toen was het al te laat. In 1886 verscheen het als viets voor het eerst in gedrukte vorm in de Arnhemse Courant en een jaar later als fiets. De naam fiets ‘dreigde het woord rijwiel te overvleugelen,’ zo stelde het tijdschrift Noord Zuid twee jaar later vast.

Maar waarom fiets?

Je zou toch denken dat de herkomst van de naam voor het populairste vervoermiddel in dit land glashelder is, maar nee. Tot op de dag van vandaag breken taalkundigen zich het hoofd over de fiets. Is het toch een verbastering van het Franse vélocipède? Komt het uit een Zuid-Limburgs dialect (vietse: hard lopen, zich snel voortbewegen)? Is het afgeleid van de Wageningse smid en rijwielverhuurder Elie Viets? Van de Apeldoornse fietsvereniging ‘La Vitesse’? Of een onomatopee van een snelle beweging: fts! Voor geen van deze hypothesen blijkt hard bewijs te zijn.

Zes jaar geleden kwamen twee Gentse hoogleraren met een nieuwe theorie. Zij meenden dat fiets zijn oorsprong vindt in het Duitse Vice-Pferd. De fiets kan ten slotte als alternatief vervoermiddel voor het paard worden beschouwd. De bewijzen die de Vlaamse professoren aandroegen voor hun ontdekking werden door Nederlandse taalkundigen afgedaan met een smalend ‘joh, ga toch fietsen’.