Selecteer een pagina

Woord van de dag: billig

Mijn grootste nachtmerrie: als studenten vinden dat ik stink. Of dat ik (per ongeluk) een paar keer achter elkaar dezelfde outfit draag en wordt gebombardeerd als ‘die docent met die trui’. Maar toch vind ik stinken het allerergst. Een zweetlucht, zure adem, algehele muffige malaise: ik weiger ervoor te tekenen.

Collega H. heeft daar een goede oplossing voor: voorafgaand aan élke les spuit hij een grote dosis Axe onder zijn oksels die de gehele dag in een walm om hem heen blijft hangen. Hij is uiteraard verkozen tot Docent van het jaar.

Ik zocht naar een ietwat subtieler luchtje, waarop collega C. me wees op een parfumflesje dat ze voor dit soort gelegenheden in haar kastje bewaar. ‘Het is wel echt een billig parfum’, merkte ze op.

Billig is een plaats in de 464 inwoners tellende Duitse gemeente Euskirchen, maar is ook ‘slang’ voor kut, slecht, dom en fout. In het Deens en Noors betekent ‘billig’ trouwens goedkoop. Nu heeft collega C. – naar mijn weten – geen Scandinavische roots, maar woont ze wel in Amstelveen, dus zal daar vast de nodige slang hebben opgepikt.

En ik die middag rook naar een eclectische mix van wc-verfrisser, zure matten en patchoeli – heel billig dus.

 

Vademecum

‘Gebruik het vademecum van collega B.’ hoorde ik laatst in de wandelgangen. Deze collega heeft een boekje voor studenten ontwikkeld, waarin allerhande spelling- en stijlkwesties keurig worden uitgelegd.

Echter, door mijn katholieke roots hoorde ik ‘Vader Mecum’ – en zag een goedlachse grijsaard in klerikale kledij voor me. Helaas kwam ik van een koude kermis thuis: vademecum is geen zielenherder maar een naslagwerk, vernoemd naar het Latijnse ‘ga met mij’. Het vademecum is vaak een naslagwerkje van beperkt formaat, waarin specialistische informatie in overzichtelijke en beknopte vorm wordt weergegeven.

Maar ik noem het gewoon ‘De Bijbel van B’.

 

Woord van de dag: ringeloren

Het fijnst aan vakanties: dagenlang boeken lezen. Van Karin Slaughter (met zo’n naam moét je toch thrillerschrijver worden??) tot Michel Houellebecq: ik heb me kostelijk vermaakt.

Althans, dat vind ik. Vriendin N noemt lezen ‘geen activiteit’ en is het liefst de hele dag met een bal in de weer. Smaken verschillen, zullen we maar zeggen.

Ik las ook de jongste roman van Charlotte Mutsaers: Harnas van Hansaplast, een tip van collega M. Als je van taal houdt, houd je ook van dit boek. Het staat vol zoveel prachtige (en vaak vergeten) woorden dat ik er een jaar lang blogs mee zou kunnen vullen.

Een van die woorden is ‘ringeloren’, en verwijst naar een passage over de boekenkist waarin Hugo de Groot is ontsnapt uit Slot Loevesteijn. Dit gebeurde in 1621, maar de kist stond lange tijd in het ouderlijk huis van de schrijfster, beweert Mutsaers.

Talloze musea aasden, uiteraard, op dit pronkstuk, maar ‘mijn vader was op die kist gesteld en geen type om zich door wie dan ook te laten ringeloren’, aldus de schrijfster. Ringeloren betekent bedwingen of kort houden en dit is waarschijnlijk ontstaan uit ‘een ring aanbrengen door de snuit van een dier, om dit in toom te houden’.

De volgende zin uit het boek luidt trouwens: ‘Ten langen leste heeft het museum maar niet langer aangedrongen’. Wilt u nu niet heel graag doorlezen?

 

Woord van de dag: gebbetje

Een van mijn lievelingswoorden zou ik vandaag graag met jullie delen: gebbetje. Niet omdat ik nou zo’n bijzonder geestige aard heb, maar ik heb wél een zwak voor de volkstaal. Als getogen Maastrichtenaar kon ik mijn lol wel op (van ‘reijstartele’ tot ‘speijtuut’), maar nu heb ik al zo’n tien jaar mijn hart verpand aan ‘t Amsterdamse, ook niet verkeerd.

Gebbetje is het Amsterdamse woord voor grapje. Volgens ons aller geliefde etymologiebank is het afgeleid van het werkwoord gabben, dat ‘gekheid maken’ betekent, gabben is vervolgens weer afgeleid van ‘gabberen’, waarmee ‘babbelen, wauwelen en spottend lachen’ wordt bedoeld.

Het enige jammere aan dit woord is, vind ik, dat ik het bijna nooit meer hoor. Ik wil daarom bij dezen alle lezers van deze post oproepen het woord mínstens één keer per dag te gebruiken – al dan niet vergezeld van een grapje.

Woord van de dag: huppeldepup

‘God zeg, hoe heet -ie ook alweer’
‘Het ligt op ‘t puntje van mijn tong’
‘Ja, ehh dinges, huppeldepup’

Collega S hoorde twee vrouwen met elkaar praten. Hij vroeg in de docentenkamer wie het woord ‘huppeldepup’ wel eens gebruikte. ‘Dat is niet echt mijn stijl’, zei collega F, smalend. Een ander, collega J, gebruikte het juist frequent.

Een synoniem voor huppeldepup is  ‘dinges’ of ‘hoe-heet-het’ en je kunt het gebruiken als je niet op een naam kunt komen. De oorsprong van het woord is lastig te vinden in de krochten van het wereldwijde web. Wel is ‘huppeldepuppel’ opgenomen in Hugo Brandt Corstius’ Opperlande taal- & letterkunde, waarin lijvig wordt verteld over een Leidse geschiedenisprofessor die ooit het spelletje ‘aars-baars’ bedacht en vervolgens verschijnt een opsomming van meerdere ‘inwendig rijmende woorden’ waaronder, maar natuurlijk, ‘huppeldepuppel’. Leest u het gehele verhaal gerust hier nog eens na.

Ik ken Huppeldepup als de aap uit Roald Dahl’s klassiekers De Reuzenkrokodil en De Griezels, maar het blijkt ook een alleraardigste schoenenwinkel voor dames en kinderen te zijn, een kinderdagverblijf in Leeuwarden en een puppyschool in Buinerveen, of all places.

Of wellicht leuk om een keer met ehh huppeldepup naar Huppel The Pub te gaan?