Selecteer een pagina

Weg met genderneutrale termen?

“Liebe Kunden und Kundinnen” (klanten), begint de luidspreker van het Duitse warenhuis zijn mededeling over de aanbieding van de dag.

Ik ben een poosje in Duitsland en het valt me op dat vrouwen en mannen hier consequent allebei worden aangesproken. In geschreven taal gebruikt men meestal een underscore-teken om aan te geven dat men zowel mannen als vrouwen bedoelt: Kund_innen, Künstler_innen. Niet mooi, wel duidelijk.

Voor Nederlanders komt dit een beetje omslachtig over. Wij gebruiken het liefst neutrale beroepsaanduidingen. Ook de Duitse studenten die ik ernaar vroeg, vonden het niet zo nodig. ‘Ik wil Journalist worden, geen Journalistin,’ zei een studente.

Maar toen ik deze week deze NRC-column van Japke-d Bouma las, veranderde ik van mening. Ze citeert taalwetenschapster Ingrid van Alphen, die onderzoek doet naar taal- en gendervraagstukken. En het blijkt dus wél uit te maken hoe je iemand noemt. Zo solliciteren vrouwen eerder als in een vacaturetekst naar een loodgieter/loodgietster gevraagd wordt en blijken meisjes in hun hoofd een beroep ‘over te slaan’ als alleen de mannelijke functienaam genoemd wordt.

Met onze goedbedoelde ‘neutrale’ aanduidingen blijken we de emancipatie in de weg te staan. Dat kan niet de bedoeling zijn. Ik noem mezelf voortaan docente in plaats van docent.

 

 

Snackcident

Gehoord bij het tankstation, zondagochtend 10 uur:

 

“Gasten, wat willen jullie?”

“Doe mij maar een HKC’tje*.”

“Te gezond, man! Ik neem een lange met zalf.*”

“Nice! Neem ik een open been.* En doe er ook maar zo’n euh… dinges daar bij.”

“Snackcidentje?”

“Yo.”

“Servetje?”

“Ach, wel ja. Vies word je toch.”

 

  • HKC = hamkaascroissant; een lange met zalf = een frikandel met mayonaise; een open been = een frikandel met currysaus

Allesomvattend

Spulletjeswinkel Sostrene Grene spoort ons aan om alvast inkopen te doen voor ‘een allesomvattende kerst’.

Ik weet niet wat dat is, maar instinctief deins ik terug voor dit hellebeeld. Ik vermoed dat je bij een allesomvattende kerst begin maart het laatste kaarsvet van de muur schraapt, eindelijk een beetje kunt lachen om het excuusappje van je schoonzus (“sorry, de glühwein viel gewoon verkeerd”) en drie vuilniszakken vol ‘sfeerartikelen’ bij de kringloop dumpt.

Weet je wat, ik sla deze trend gewoon een keer over.

 

 

Hoe zat het ook alweer? Het boek wat/dat

‘Ik heb een boek gelezen wat hilarisch was’, tipt een student me. Ik schiet in de lach. Ze bedoelt natuurlijk dat het boek hilarisch is, maar feitelijk staat er dat het hilarisch was dat ze een boek las.

Veel studenten vergissen zich met betrekkelijke voornaamwoorden. Dat is niet zo gek, want ze zijn ook best lastig.

Hoe zit het ook alweer?

Met een betrekkelijk voornaamwoord verwijs je naar een ander woord uit dezelfde zin, het zogenaamde antecedent. In de zin ‘het boek dat ik lees’ is boek het antecedent. Met het betrekkelijk voornaamwoord ‘dat’ verwijs je naar het boek. Naast ‘dat‘ zijn er nog andere betrekkelijke voornaamwoorden. Hoe gebruik je ze?

Dat gebruik je om te verwijzen naar het-woorden (onzijdige woorden): Het boek dat ik lees.

Die gebruik je om te verwijzen naar de-woorden (mannelijke of vrouwelijke woorden) of woorden in het meervoud: De vrouw die ik ken. De boeken die ik lees.

Wat gebruik je als het antecedent een hele zin is: Het regent, wat ik heel vervelend vind. Wat gebruik je ook als het verwijst naar onbepaalde woorden (bijvoorbeeld iets, niets, alles, enige) of een overtreffende trap: Ik zag iets wat ik heel grappig vond. Dat is het grappigste wat ik ooit gezien heb.

Welke gebruik je liever helemaal niet omdat het nogal ouderwets is. Maar als je het toch wilt gebruiken, verwijs je ermee naar de-woorden: De formulieren welke ik u stuur.