Selecteer een pagina

Coronabitch

Dag lezer,

Daar zijn we weer. Ja, hier op het blog dan, want op ons werk zijn we nog lang niet. We werken thuis, geven thuis les en spreken onze studenten digitaal. Vanochtend had ik zowaar een ontmoeting in levenden lijve met een student en ik verheugde me erop alsof het een uitje was.

Popelend en keurig bemondkapt stond ik op de pont over het IJ. Die voer vervolgens niet uit omdat een reiziger weigerde een mondkapje te dragen. Er ontstond commotie onder de andere reizigers, ja, het werd écht een uitje. ‘Schiet op, coronabitch,’ riep iemand. ‘Dat coronawijf wil geen kappie op,’ zei een ander. De vrouw in kwestie mompelde: ‘kanker op met je corona’ en deed toen toch maar een kapje op. Toen de boot eenmaal voer, deed ze het stiekem weer af. Een kleuter in het lichaam van een 35-jarige vrouw. Wij – de andere reizigers – rolden met onze ogen. Niets verbroedert zo als een gezamenlijke vijand.

Nederlanders schelden het liefst met geslachtsdelen en ziektes: tyfus, tering (van tuberculose), pest, klere (van cholera), pleuris (longontsteking), kanker. Corona is natuurlijk de nieuwe loot aan de stam.

Tot nu toe heb ik corona als scheldwoord vooral gehoord in samenstellingen om personen aan te duiden (coronawijf, coronalijer). Alle andere genoemde ziektes kun je ook zo gebruiken. Maar tyfus, tering en klere kun je ook nog zelfstandig als uitroep gebruiken (‘tyfus, wat een dag’). Pleuris kun je als werkwoord gebruiken (pleur op). Kanker ervaren veel mensen als een zeer ongepast scheldwoord, en daar hebben ze gelijk in. Maar het is wel de meest veelzijdige van het stel. Je kunt het gebruiken in een samenstelling (kankerkop), als werkwoord (opkankeren) en als uitroep (kanker, wat een gore frikandel). En gek genoeg kun je kanker ook positief gebruiken (kankervet), dat is wel ziek natuurlijk.

Welke kant het met corona opgaat, is nog ongewis. Ik vermoed dat het een onschuldig scheldwoord blijft. ‘Corona, ik ben mijn sleutels vergeten’ klinkt te veel als chips-in-plaats-van-shit-zeggers. Maar ‘corona een eind op‘ klinkt eigenlijk best wel lekker.

Vanaf deze week zal er op Ikzegookmaarwat weer wekelijks een stukje verschijnen. We hebben nieuwe bloggers en kijken uit naar hun bijdrages. We wensen jullie een coronagoed schooljaar.

 

Buitenschaamte

Bij het vak mediapsychologie leren we onze studenten dat gedragsveranderingen ontzettend traag gaan, áls ze al mogelijk zijn. En kijk nou eens! De brave burgers van Nederland – wat zeg ik, van de hele wereld – gedragen zich voorbeeldig volgens de nieuwe normen. Natuurlijk blijft de taal niet achter, ook die past zich razendsnel aan. We verwelkomen nieuwe woorden en oude bekenden in een nieuwe betekenis:

Anderhalvemetersamenleving: keurig aan elkaar geschreven. Een paar weken geleden hadden we het nog over social distancing, nu is de anderhalvemetersamenleving ’het nieuwe normaal’. We blijven keurig op afstand. In India is die afstand overigens 1.80 m, in andere landen 2 meter. Daar hebben we hier gewoon de ruimte niet voor.

Buitenschaamte: even een frisse neus halen mag van Grapperhuis, maar als je andere frisseneushalers tegenkomt in de duinen of – oei – op het strand of de bollenvelden, voel je je toch opeens een overtreder.

Alles met corona: coronapatiënt, coronacrisis, corona-epidemie, coronabesmetting, coronavirus, coronamaatregel, coronatest, coronakucher, coronaboete, coronavaccin (toekomstmuziek), coronaseks (uit verveling). Als het tweede woord van de samenstelling een klinker is, gebruik je een verbindingsstreepje: corona-aanpak.

Exitstrategie: het is bekend hoe we hierin beland zijn. Maar hoe komen we er in godsnaam weer uit?

Indammen: geen nieuw woord, maar we gebruikten het in de letterlijke betekenis voor onze nationale trots, de waterwerken. Nu proberen we het virus in te dammen, dat blijkt een stuk weerbarstiger dan de Noordzee.

Juno: mal woord voor juni. Tot 1 juno mogen we geen grote bijeenkomsten hebben van minister Grapperhaus. Juno heeft zelfs een Twitteraccount.

Limo: staat voor Lunchen In Mijn Onderbroek. Geef toe, dit is wel echt een voordeel van deze hele toestand.

Mondkapjestekort: dit woord bestond misschien al wel in een schoonheidssalon of bij de tandarts, maar kon dan eenvoudig opgelost worden. Nu is het een algemeen woord dat we liever niet gekend hadden.

Het nieuwe normaal: geen handen schudden, ze wel wassen, afstand houden, thuis blijven. Ik vermoed dat de speechwriter van de premier de uitdrukking ‘het nieuwe normaal’ bedacht heeft. Chapeau! Van Ron Fresen op het NOS-journaal tot de AH-medewerkster die de karretjes uitdeelt, binnen een dag na de persconferentie was de uitdrukking in heel Nederland ingeburgerd.

Raamvisite, ook wel zwaaivisite genoemd. We kunnen niet meer op bezoek bij elkaar en alleen nog door het raam zwaaien naar oma. Niet fijn. Ook hiervoor geldt: jammer dat het moet, maar fijn dat het kan.

Testbeleid: op de hogeschool hebben we al jaren een toetsbeleid, maar een testbeleid voor heel Nederland is nieuw. Waar het op neerkomt: eerst werd bijna niemand getest, nu meer mensen, straks veel meer mensen.

Teststraten: afgekeken van Zuid-Korea, sowieso een gidsland in deze  crisis. Een teststraat is een soort McDrive in een parkeergarage waar mensen in hun eigen auto een Coronatest krijgen.

Thuiswerkexperiment: tja, we zullen wel moeten én we mogen niet piepen want we zijn dolblij dat we überhaupt werk hebben. Maar het is echt een gevalletje LIA (leuk is anders). Online onderwijs is alsof je met een blokfluit een symfonie van Beethoven speelt: je herkent de melodie, maar het is niet op the real thing.

Tijden: het zijn rare tijden, het zijn bizarre tijden, bijzondere tijden, vreemde tijden, moeilijke tijden, gekke tijden. Een maand geleden was tijd nog gewoon enkelvoud en hadden we een leuke tijd, nu is tijd meervoud geworden.

Videobellen: bestond natuurlijk al, maar doen we nu de ganse dag, met de collega’s, met oma en voor de vrijdagmiddagborrel. Meest gehoord: ‘ik zie je niet, zie je mij wel?’ ’Ik hoor je niet, hoor je mij wel?’

Zoomen: online vergaderen via de app Zoom deden we ‘in het begin’ (drie weken geleden) volop, totdat we ontdekten dat we een makkelijke prooi voor hackers waren.

Zorghelden: voorheen dokters en verplegend personeel. Nu ze elke dag in de frontlinie staan mogen we ze gerust helden noemen.

Zorgheldenauto: een gratis leenauto voor een zorgheld(in) zodat hij/zij niet met het OV naar het werk hoeft.

 

 

Woord van de dag: roemoer

Binnen afzienbare tijd worden alle tentamens van onze opleidingen digitaal afgenomen, maar dit studiejaar moeten de studenten nog gewoon tentamens met de hand schrijven. Zij krijgen een lamme hand en wij krijgen lamme ogen van het ontcijferen van de moeilijke handschriften.

Voordeel is wel dat je op deze manier prachtige verschrijvingen ziet. Niet alleen van de categorie Aristoteles/ Arostiteles/Aresteles/Arestitelos,/Arostes of expirument/expiriment/expirement, maar soms echte verbeteringen.

Vandaag las ik roemoer in plaats van rumoer. Waarom heet dat niet echt zo?

 

Vlotte jumper

Een etalage van een ouderwetsige modezaak prijst truien aan met het bordje: ‘vlotte jumpers’. Nou, dan heb je me hoor. Jumper! Ik dacht dat het woord totaal was uitgestorven.

Een jumper is een damestrui, niet te verwarren met een jumpsuit. Dat is een overall, niet voor op de trekker maar een hippe voor naar je werk. Het woord jumper komt al sinds het begin van de twintigste eeuw voor in het Nederlands. Je spreekt het uit met een Nederlandse j, jumpsuit spreek je uit als djumpsoet. Het zijn allebei kledingstukken om makkelijk aan te schieten (je springt er zo in) , maar die jumpsuit moet je bij elk plasje natuurlijk wel weer helemaal uit doen.

En dan dat heerlijke ‘vlot’. Wij kennen het woord vlot als een drijvend gevaarte. Maar onze opa’s en oma’s gebruikten het om hun waardering uit te drukken: een vlot meisje met een vlotte jumper en een vlotte paardenstaart. Ze bedoelden natuurlijk gewoon ‘chill’. Mieters, hè?

 

 

Woord van het jaar: niksen

Nieuw jaar, nieuwe trend. En laten wij Nederlanders nu eens bovenop een internationale trend zitten. In 2020 gaat de hele wereld namelijk ‘niksen’. Time voorspelde in de zomer van 2019 al: “Niksen Is the Dutch Lifestyle Concept of Doing Nothing—And You’re About to See It Everywhere.” In het artikel vertelt de auteur hoe goed wij zijn in niksen en hoe belangrijk het is voor de mentale gezondheid. Voor de argeloze buitenlander die denkt, goede trend maar hoe moet ik dat nou aanpakken, zijn er praktische tips (How do people practise niksen). Het beste kun je beginnen met ‘taking a few minutes each day to practice niksen’. De schrik slaat je om het hart als je eraan denkt dat er dus mensen bestaan die níet een paar minuten per dag niksen.

Altijd lollig, dit soort dingen. Maar misschien heeft Time wel degelijk gelijk dat het een Nederlands fenomeen is. Want niksen heeft in het Nederlands maar liefst vijf synoniemen:  luieren, lummelen, luiwammesen, luieriken en het prachtige lanterfanten. En dan hebben we nog – met een klein betekenisverschil – de woorden flierefluiten en slampampen.

Kom daar eens om in onze buurtalen: het Duits heeft faulenzen, het Frans paresser, maar dat is één woord waar wij er zes hebben. Het Engels heeft geen enkel woord. De Italianen hebben niksen uiteraard tot kunst verheven met hun dolce far niente, maar dat zijn drie woorden.

Als je naar het aantal synoniemen kijkt, zou je kunnen zeggen dat Nederlanders een lanterfantend volk zijn. We zijn kampioen deeltijdwerken en de gemiddelde arbeidsduur is volgens het CBS in Nederland slechts 31 uur per week. Toch stijgt het aantal mensen met stressgerelateerde klachten als een burnout ook hier snel. De remedie: “The trend that’s being embraced as a way to combat our increasingly busy and often stressful lives: niksen.”

De bloggers van Ikzegookmaarwat wensen u een lui 2020.