Selecteer een pagina

De magische ganzenveer en de taalverrijkende fout

Wij IZOMW-docenten besteden een groot deel van ons wakende bestaan aan het nakijken van studentenwerk (en daar blijft het niet eens altijd bij: ik kijk soms ook in mijn dromen na, met een magische ganzenveer die ik in groene inkt doop. Ja duiders, kom er maar in). En dus komen we veel, héél veel taalfouten in het wild tegen. De meeste daarvan zijn gangbaar en saai: dt-fouten, samenstellingen, ‘ik ben opzoek’, ‘de tranen stroomde over mijn wangen’, dat werk. Fouten die ik zo vaak tegenkom dat ik ze in mijn slaap nog kan corrigeren.

Er is ook een andere categorie: de fouten die me juist even wakker schudden uit de nakijkroes. Zo schreef een student onlangs dat een maatregel ‘alleen maar a van rechts’ werkte. Ik veerde op alsof ik een dubbele espresso achterover had geslagen. ‘A van rechts’, waarom ook niet? Het doet denken aan woorden als asociaal, atonaal en a-relaxt, met zo’n A die ‘niet’ betekent. Zo kun je er met een beetje fantasie iets in lezen als ‘niet van rechts’, dus links, onhandig, sinister … alsof je probeert te knippen met de schaar in je verkeerde hand. Taalfout? Je reinste taalverrijking. Ik kon verkwikt weer verder.

 

Doe maar (net alsof)

In bange en onzekere tijden knap ik altijd erg op van een flinke dosis nostalgie. Omdat ik van 1968 ben, waren de jaren tachtig van de vorige eeuw mijn vormende periode en dus richt mijn nostalgie zich vooral op films, muziek en mode uit die tijd.

Ook in de jaren tachtig was er veel onzekerheid en angst. Niemand van mijn generatie zou ooit een baan krijgen — zeker niet de kneuzen die een taal gingen studeren; er viel zure regen op je kop; de spinazie was radioactief door Tsjernobyl; we dachten nog dat je aids kon oplopen van een wc-bril; en als je als door een wonder al deze gevaren doorstond, dan viel De Bom en was alles tevergeefs geweest. Doemdenken, dat deed ik, dat deden we allemaal. En daar bleven we dan vaak toch wel weer opgewekt bij. Het was ook wel knus, met z’n allen op weg naar de afgrond.

De iconische jarentachtigband Doe Maar is een perfect voorbeeld van dat contrast: vrolijke, opzwepende reggae- en skamuziek met ronduit zwartgallige teksten over liefdespijn, drugsverslaving en maatschappelijke misstanden. Luister bijvoorbeeld eens naar ‘Doe maar (net alsof)’, van het album 4-us (!):

‘Je ziet in je krantje dat het
Allemaal uit de hand loopt
Je leest maar niet verder, want je
Je voelt het begin van wanhoop
Dan rook je een stickie en je
Vergeet wat je wilt vergeten (…)

Refr: Dus doe maar net alsof je neus bloedt (3x)’

Afgezien van het gedateerde woord stickie — zo noemden we een jonko vroeger — is deze tekst in z’n moedeloze paranoia hélemaal 2020. In het refrein lijkt het alsof de corona-ontkenners rechtstreeks worden aangesproken, de covidiots die tegen beter weten in doen alsof hun neus bloedt. ‘Er gaan ieder jaar mensen dood aan griep, we gaan lekker naar het strand’, die types.

De uitdrukking ‘doen alsof je neus bloedt’ betekent: je bewust ergens niks van aantrekken. Onze Taal geeft als equivalent ‘van de prins geen kwaad weten’, maar je zou ook kunnen zeggen ‘doen alsof je gekke Gerretje bent’ of ‘je van den domme houden’. Onverstandig en onverantwoord in tijden van COVID-19. Ik zeg: lekker binnen blijven en een plaatje draaien. Al dan niet met een Nederwiet-stickie, voor het echte eighties-gevoel.

Gedichtendag 2020

AFSCHEID
Mijn standbeeld: hier zijn
dertig stuks werktuigen heel
bos draagt mistsluier

— Willem J. Pieters (1943-2009)

Vandaag, de laatste donderdag in januari, is het gedichtendag: de aftrap van de jaarlijkse Poëzieweek. Ik merk dat altijd doordat er veel gedichten worden gedeeld op Twitter, een medium dat wel wat poëzie kan gebruiken tussen alle ophef-du-jourtjes en de bijbehorende lelijkheid. Ik geniet ervan om gedichten ‘in het wild’ tegen te komen, want ik hou van gedichten. Maar dat is niet altijd zo geweest.

Hoewel ik de dochter van een dichter ben, heb ik lang moeite met het genre gehad. Ik vond poëzie vaak (o, vloeken in de kerk!) moeilijkdoenerij. Waarom zou je het zo ingewikkeld opschrijven, als je ook ‘gewoon’ kunt zeggen wat je bedoelt? Dit gold ook – ja, zelfs bij uitstek —  voor de gedichten van mijn vader, Willem Pieters, omdat hij vooral in het Fries schreef. Niet omdat hij een Fries was, maar uit liefde voor en interesse in de Friese taal. Mijn vader had als tiener de basis van het Fries geleerd van zijn tandarts en hij heeft zich er later, tijdens zijn studie Nederlands, verder in bekwaamd.

Ik heb ontdekt dat je Fries een beetje kunt begrijpen als je het hardop leest. Toch blijft veel van mijn vaders werk voor mij min of meer ontoegankelijk. Ik zie daar een prachtige symboliek in, omdat eenzaamheid zo’n belangrijk thema in zijn werk was. Mijn vader heeft zich vaak eenzaam gevoeld en schreef daar veel over. Maar dan wel in een taal die bijna niemand op aarde kan begrijpen.

Mijn waardering voor poëzie is enorm gegroeid sinds ik het ‘moeten begrijpen’ heb losgelaten. De haiku die boven deze column staat, begrijp ik ook niet. Maar hij roept wel een gevoel bij me op. Eenzaamheid en melancholie, zeker, maar dankzij die dertig werktuigen ook onverzettelijkheid. En trots, want m’n vader heeft toch maar mooi een standbeeld.

 

OK boomer

In mijn lijstje van ‘dingen waar ik een hekel aan heb omdat ze mensen in grote groepen in hokjes duwen terwijl een mens als individu eindeloos complex, tegenstrijdig en verrassend is’ staat generatiedenken bij mij maar net iets lager dan astrologie. Natuurlijk begrijp ik dat collectieve ervaringen van invloed zijn op je wereldbeeld, en dat het best verschil maakt of je op je veertigste of op je achtste voor het eerst een iPhone vasthoudt. Maar ik ben er niet dol op, dat toekennen van allerlei kenmerken aan grote groepen mensen die weinig meer gemeen hebben dan hun geboortedecennium.

Toch – daar heb je die tegenstrijdigheid al – vermaak ik me nogal met de internetmeme ‘OK boomer’: een heerlijk kernachtige uitspraak waarmee ieder jong persoon ieder ouder persoon af kan kappen. Lisa Bouyeure duidde het verschijnsel vorige week in de Volkskrant. En iedereen die wel eens op Twitter komt (ouderenmedium bij uitstek, maar ok), is het talloze malen tegengekomen.

De term boomer verwijst naar de babyboomgeneratie, die in de naoorlogse geboortegolf tussen 1945 en 1955 ter wereld kwam. Daar wordt niet heel strikt op gelet bij het ok-boomeren. Ikzelf (een ‘gen-X’er’ uit 1968) ben ook al ‘boomer’ genoemd, na een mislukte grap waar mijn kinderen hevig om moesten eye-rollen.

Als iemand ‘ok boomer’  tegen je zegt, kun je daar heel boos om worden, of woest beweren dat je niet eens een babyboomer bent, maar daarmee lever je juist het bewijs dat je er niks van snapt en een suffe boomer bent. Het is net als iemand koppig noemen: hoe harder je tegenstribbelt en beweert dat je helemáál niet koppig bent, hoe koppiger je doet. Typerend voor de boomer is het starre vasthouden aan het eigen perspectief, zo legde mijn dochter me uit. Volgens haar is dat hele ‘ok boomer’ een reactie op de manier waarop babyboomers vaak over jongeren praten: ‘Verwende millennials, Generation Z die alleen maar op z’n telefoon zit te prullen, dat soort dingen.’ ‘Hoe moet je dan wél reageren als je boomer wordt genoemd,’ vroeg ik. Na enig nadenken zei ze: ‘Dan zeg je: nou, dat mag jij vinden. Een beetje zoals the Dude. That’s just like, your opinion, man.’ Mooier kan het niet: mijn favoriete babyboomer, stonede hippie Jeffrey Lebowski, toont zich de ware antiboomer. Complex en tegenstrijdig, ik zei het al.

 

Ongezellig snertweer

Volgende week, op 5 oktober, is het de honderd-en-derde geboortedag van mijn oma, Cornelia Johanna Okkes-Van Toorn. Ik noemde haar natuurlijk nooit Cornelia. Niemand noemde haar ooit zo: ze heette Cor, ook wel Cox of Cokkie, maar haar kinderen en kleinkinderen zeiden altijd Piepje. Ook wel: de Piep. Dat kan ik verder niet verklaren.

Ze leeft al lang niet meer, maar ik denk nog vaak aan haar. Vooral in deze tijd van het jaar; niet alleen omdat ze dan dus jarig was, ook omdat ik me heel goed herinner hoe somber ze kon worden van het naderende donkere seizoen en hoe ze kon klagen over het ‘ongezellige’ herfstweer. Als tiener vond ik dat heel irritant. Neem het niet zo persoonlijk, het is maar wéér, dacht ik dan. Toch vond ik het vaak heel vermakelijk als ze mopperde, omdat ze dat deed met van die fijne, braaf-ouderwetse omawoorden.

Als iemand iets ergs deed, was dat niet gewoon naar of gemeen maar ‘misselijk’. Een misselijke streek, meestal door een misselijke vent geleverd. Een misselijke vent die het heel bont maakte, was een ‘mispunt’ (ik weet niet of een vrouw ook een mispunt kon zijn). Mocht de regering iets misselijks bedenken, bijvoorbeeld dat er op onderwijs werd bezuinigd, of dat WAO’ers erop achteruitgingen, dan vond de Piep dat ‘geen werk’.

Mijn lievelings-omawoord was ‘snert’. Een heel handig woord, want het kan op allerlei manieren worden ingezet: als voorvoegsel, als bijvoeglijk naamwoord of zelfs als werkwoord. Natuurlijk was het in oktober en november heel vaak snertweer, of was de televisie op vrijdagavond – afgezien van Baantjer – ronduit snert. Snerten als werkwoord kwam alleen voor in een vaste uitdrukking. Dat ging zo: ‘Pieps, mag ik nog een marsje?’ ‘Hoeveelste marsje is dat?’ ‘Vierde ofzo …’ ‘Víer? Je kan me snerten!’.

Over de herfst, de dood, de ouderdom en het donker is heel veel moois geschreven, door grote schrijvers, dichters, en denkers, in prachtige woorden en troostrijke beelden; maar ik denk als de dagen korter worden altijd ‘snert!’. En ik heb mijn oma weer even terug.