Selecteer een pagina

Jij en ik (en poes)

Nu zijn er natuurlijk veel redenen om nooit aan kinderen te beginnen. Nachtelijke verzoeken om een mug weg te jagen bijvoorbeeld, of lekkend softijs met spikkels waarvan de helft al in het zand is gevallen, of Bumba. Mocht je echter, zoals ik, een bovengemiddelde interesse hebben in taal, dan is een nakomeling misschien toch het overwegen waard. Ik blijf het althans fascinerend vinden om elke dag te aanschouwen hoe een kind, in casu mijn dochter van vierenhalf, wegwijs wordt in haar moedertaal. En het bijzondere is: hoeveel taalkundige zijweggetjes kinderen ook inslaan, uiteindelijk vinden ze allemaal hun weg.

Toen mijn dochter voor het eerst begon met praten, heb ik een paar maanden een lijstje bijgehouden van de woorden die ze gebruikte. Afgezien van klassiekers als ‘papa’, ‘die’ en ‘bah’, vermaande ze met anderhalf jaar kennelijk al regelmatig onze kater met ‘Nee nee, poes!’ Niet veel later, zo heb ik genoteerd, kon ‘nee poes’ echter ook iets anders betekenen, namelijk: ‘geen poes’, oftewel: poes is weg. Later maakte ze hier varianten op als ‘Papa nee baat’ (papa heeft geen baard) en ‘Nee doen!’ (niet doen).

Nog leuker werd het toen ze begon te experimenteren met de begrippen ‘ik’ en ‘jij’. Een geagiteerd ‘Jij doen!’ was dan geen opdracht aan mij, maar juist een teken dat ze iets zélf wilde doen – maar omdat de rest van de wereld haar natuurlijk aanspreekt met ‘jij’, dacht ze in eerste instantie dat dat altijd op haarzelf sloeg.

Inmiddels zijn we een paar jaar verder en ouwehoert ze menigeen de oren van het hoofd, inclusief onze al eerder genoemde kater. Het ‘nee nee, poes’ heeft inmiddels plaatsgemaakt voor: ‘Kijk poes, ik heb een tekening gemaakt. Vind je hem mooi? Poes? Kijk dan. Nee, hier.’ Als die na lang aandringen tenslotte reageert met een verveeld ‘mwow’, zegt ze triomfantelijk: ‘Zie je, hij zegt dat hij mijn tekening vet mooi vindt.’ We laten haar maar in de waan.

Who the fuck is Tante Betje?

Studenten bereiden zich voor op de herkansing van de taaltoets. Op de gang geeft een student uitleg aan een klasgenoot. Deze zegt met een ongelovig gezicht: ‘Who the fuck is tante Betje?’

Een tante betje is een stijlfout waarbij in een samengestelde zin op een foutieve wijze inversie wordt toegepast. Huh? Een voorbeeld: ‘Straks in de lunchpauze koop ik een broodje maar eet ik nu alvast een mandarijn.’ De eerste zin (‘Straks in de lunchpauze koop ik een broodje’) is correct. De persoonsvorm staat hier na het gezegde, dit heet inversie. In de tweede hoofdzin had de persoonsvorm voor het gezegde moeten staan (‘maar ik eet nu alvast een mandarijn’). Hier is dus ten onrechte inversie gebruikt.

Maar wie was nu tante Betje? Volgens Onze Taal is de naam ‘tante betje’ (ja, je schrijft het echt zonder hoofdletters) geïntroduceerd door de taalpurist Charivarius (1870-1946) in zijn taaladviesboek Is dat goed Nederlands? (1940). Naar zijn zeggen kwam hij de stijlfout steevast tegen in de brieven van zijn tante Betje.

Een goede uitleg over tante betjes vind je bij taalunieversum.

 

Hoe zat het ook alweer? Al/als

Een student schrijft dat docenten zich goed in trends moeten verdiepen als zij de studenten willen vermaken: “Ik denk dat dit erg belangrijk is, al kijk ik naar mijn eigen lessen.”

Pardon? Als je vermaakt wilt worden, ga je toch niet naar schóól? Persoonlijk vind ik de bioscoop dan leuker.

Afgezien daarvan: de formulering met een foutief gebruik van het voegwoord ‘al’ (‘al kijk ik naar mijn eigen lessen’) kom ik vaker tegen. Correct zou zijn: ‘als ik naar mijn eigen lessen kijk.’

Mijn taalgevoel vertelt mij dat de zin fout is. Maar ik moest er wel even diep over nadenken waarom dat zo is. Ik denk dat het zo zit: het woord ‘al’ is hier gebruikt als voegwoord van voorwaarde. Maar alleen ‘als’, ‘wanneer’, ‘indien’ en ‘mits’ kunnen als voegwoord van voorwaarde gebruikt worden.

‘Al’ kan wel als voegwoord gebruikt worden, maar dan als voegwoord van toegeving: ‘Al regent het morgen nog zo hard, ik kom gewoon op de fiets.’

Ik vermoed dat het foutief gebruik van ‘al’ in sommige regio’s (Zuid Nederland?) meer voorkomt dan in andere. Of vergis ik me? Aanvullingen zijn welkom.

 

Om te grienen

Je zal maar in groep 8 zitten van een niet nader genoemde basisschool in den lande. En dan als huiswerk deze oefening voor je neus krijgen:

BjouHHGIQAAUJsh

 

Om te grienen natuurlijk, want ik ga ervan uit dat de ontwerper van deze toets er niet expres een instinker in heeft gestopt (mooi woord trouwens, ‘instinker’, kom ik op terug). Nee, dit is gewoon domheid van de allerergste soort.

Je kunt natuurlijk prima discussiëren over de vraag of leerlingen uit groep 8 zo nodig moeten weten wat een lijdend voorwerp is (ik mag op taaleducatief gebied graag de revisionist uithangen), maar, lieve docent, áls je dan besluit dat ontleden superbelangrijk is, wek dan in ieder geval de indruk dat je het zelf snapt.

Voor de duidelijkheid: in de zin ‘Mijn nieuwe vlieger was binnen drie dagen kapot’ staat heul geen lijdend voorwerp. Er is sprake van een naamwoordelijk gezegde, ‘was kapot’, waarbij ‘was’ optreedt als koppelwerkwoord.  Oftewel: deze vlieger gaat niet op. Heb je vaker met kapotte vliegers.

(fotootje kwam van twitteraar NBvdB).