Selecteer een pagina

Hoe zat het ook alweer? Epicentrum/episch centrum

Het was u wellicht ontgaan, maar er is heuglijk nieuws te melden vanuit Epe. De gemeente krijgt namelijk een ‘Episch centrum’! Op de plek waar ooit restaurant De Middenstip zat, aan de Hoofdstraat, wordt een buurthuis gerealiseerd. Het idee is afkomstig van de plaatselijke ondernemer Michiel de Jong, die veel tijd en geld in steekt in zijn levensdoel.

Met zo’n naam kan het natuurlijk niet misgaan. Want los van de woordspeling: goed dat we de term ‘episch centrum’ nu eens correct gebruikt zien worden. Want zodra er ergens een aardbeving is, kom je altijd wel in een bericht tegen dat het ‘episch centrum’ daar of daar lag. Terwijl bedoeld wordt: het epicentrum.

Een epicentrum is een plaats aan het aardoppervlak vanwaaruit aardbevingsgolven zich over de aarde verbreiden, aldus Van Dale. Episch is afgeleid van epos: een heldendicht. Het werd oorspronkelijk gebruikt om kunstvormen aan te duiden (een episch gedicht, episch theater), maar tegenwoordig heeft episch een bredere betekenis en kun je ook spreken van een episch feestje: groots, spannend, opwindend. Kortom, dat gaat wat worden, daar in Epe.

 

Hoe zat het ook alweer? Palindroom

Vorige week las ik in het AD dat 2 februari 2020 een prachtige trouwdatum is, maar dat Utrechters er niet op zitten te wachten op die dag in de huwelijksboot te stappen. Ik dacht aan dit artikel toen ik gisteren deze tweet van @waaromweetikdit zag: 2 februari 2020 (02-02-2020) is de ultieme palindroomdag. Het is de 33e dag van dit jaar, terwijl er na die dag nog 333 dagen te gaan zijn tot het einde van het jaar. #02022020

Een palindroom is een woord waarin de letters symmetrisch gerangschikt zijn, zodanig dat het woord van achter naar voren gelezen hetzelfde is als van voor naar achter. Kok bijvoorbeeld, of meetsysteem. Er zijn ook palindroomzinnen: De mooie zeeman nam Anna mee zei oom Ed, of Gadsi, ‘t is dag. En, zoals bovenstaande tweet bewijst, palindroomdata en -getallen.

Dat Utrechters er niet voor kiezen zich op die ultieme palindroom dag in de echt te laten verbinden, verbaasde mij aanvankelijk niet: 2 februari valt op een zondag en ik dacht dat je op de Dag des Heren niet kon trouwen. Niets is minder waar. In 32% van de Nederlandse gemeentes kun je op zondag in het huwelijk treden. Nadeel (volgens weddingplanner.nl): je betaalt er bij de gemeente iets meer voor. Voordeel: bijzondere locaties zouden juist goedkoper zijn.

 

Hoe zat het ook alweer? Aan elkaar of niet?

Folders met aanbiedingen, ze zijn niet zelden een goudmijn voor een taaldocent. Zo wil ik bij dezen de firma Sligro hartelijk bedanken voor twee fraaie voorbeelden die ik kan gebruiken in mijn bijspijkerlessen Nederlands.

Eén van de onderdelen in die lessen: de samenstelling. Lastig voor veel studenten. Wanneer schrijf je iets aan elkaar en wanneer niet? Met name de drieledige samenstellingen (een bijvoeglijk naamwoord en twee zelfstandige naamwoorden) zijn een bron van verwarring. Waarom schrijf je hogedrukgebieden aan elkaar, maar hoge herenschoenen met een spatie? En bijna geen student die gelooft dat je ingezondenbrievenrubriek aan elkaar schrijft.

Het zit zo. Of je een spatie gebruikt of niet hangt af van de vraag waar het bijvoeglijk naamwoord op slaat. Indien dat betrekking heeft op het laatste deel van de samenstelling, dan gebruik je een spatie. Om het voorbeeld in de vorige alinea erbij te pakken: ‘hoge’ slaat op ‘schoenen’ en niet op ‘heren’. Spatie na ‘hoge’ dus. (Tenzij je speciale schoenen voor hoge heren bedoelt, maar die kom ik niet tegen in de folders.) Maar slaat het bijvoeglijk naamwoord op het eerste deel van de samenstelling, dan schrijf je alles aan elkaar. Zo slaat ‘hoge’ op ‘druk’ en niet op ‘gebieden’ en schrijf je dus hogedrukgebieden. ‘Ingezonden’ slaat op ‘brieven’ en niet op ‘rubriek’.

En soms kan het allebei. Bekend voorbeeld is de langeafstandsloper (iemand die marathons loopt) en de lange afstandsloper (iemand van twee meter die afstanden loopt). Het leuke aan deze kwestie vind ik dat je niet blind de regels volgt á la ’t exkofschip, maar moet nadenken over de betekenis van woorden. Wat wordt er bedoeld?

Goed, die twee voorbeelden uit de folder van Sligro die ik in mijn lessen ga gebruiken. Ze staan hieronder en aan u de vraag: correct gespeld of niet?

Over de eerste, tamme konijnenbouten, kan niet veel discussie zijn, lijkt me. Dat ‘tamme’ slaat volgens mij op ‘konijnen’ en niet op ‘bouten’ (tamme bouten versus wilde bouten, ik geloof er niet in), dus dat moet tammekonijnenbouten zijn.

Dan de tweede, gele roompoeder. Gezien de afbeelding op de verpakking (een tompouce) lijkt mij dat hier poeder wordt bedoeld waarmee je gele room kunt maken, en dan slaat ‘gele’ dus op ‘room’. In dat geval dus geleroompoeder. Maar mocht het poeder geel zijn, dan zou gele roompoeder ook kunnen. Ik zou overigens in het geval van geleroompoeder wel een koppelteken gebruiken (gele-roompoeder), want de vluchtige lezer vraagt zich anders wellicht af wat een geler-oom is.

Nog even terug naar die konijnenbouten: kijk goed uit dat u geen spatie tussen ‘konijnen’ en ‘bouten’ plaatst, want in dat geval kan ‘bouten’ makkelijk als werkwoord (poepen) opgevat worden. En dat kan misverstanden oproepen, zoals in het geval van deze slagerij in Voorburg…

 

Afkorten

 

Toiletbezoekers moet je nogal eens opvoeden; een simpel bericht is vaak al voldoende. En waarom lange woorden gebruiken als je ze kunt afkorten? Ruimtewinst, tijdwinst of misschien gewoon irritatie. Die ‘bvd’ maakt het helemaal af, de schrijver heeft z’n punt gemaakt.

Alhoewel, waar zijn de punten eigenlijk?

De ene afkorting is de andere niet, zo leert de Taalunie ons. In het voorbeeld hierboven gaat het om echte afkortingen: de woorden zijn weliswaar ingekort, maar we spreken ze helemaal uit. En er horen punten te staan, net als bij a.d.h.v., t.a.v., m.a.w., bijv., blz., t.k., enz.
Anders werkt het bij initiaalwoorden, zoals tv, ABN, cd en btw. Punten ontbreken en de letters spreek je een voor een uit. Puntloos zijn ook letterwoorden, denk aan: havo, pin, soa en vip. We lezen ze als een normaal woord en zo gedragen ze zich ook.
Ik ben er nog niet hoor, want er bestaat nog zoiets als de verkorting, opgebouwd uit een of meer (delen van) lettergrepen. Voorbeelden van verkortingen zijn airco, wifi, horeca, BENELUX en arbo. Geen punt te bekennen en ze zijn inmiddels als gewone woorden ingeburgerd.
Sluit ik dit korte maar krachtige taallesje af met de verkorte schrijfwijzen van eenheden en valuta, zoals V, km, kcal, s en EUR. Symbolen noemen we die – zonder punt – en we spreken de woorden waar ze voor staan helemaal uit.

 

 

 

Hoe zat het ook alweer? Jaren ’80/jaren 80

“In het begin van de jaren ’80 had bijna 90 procent van de huishoudens een abonnement op een krant”, lees ik in het werkstuk van een student. Een zin die bij sommigen weemoed zal oproepen. Ach ja, het internetloze tijdperk, wat lijkt dat lang geleden. Maar anderen worden misschien vooral getroffen door de taalfout in de zin. Nou ja, taalfoutje. Want die ’ (apostrof) voor 80, die hoort daar namelijk niet.

Artikel over de 'apostrophe' in de Telegraaf, december 1933.

Artikel over de ‘apostrophe’ in de Telegraaf, december 1933. Klik op de afbeelding voor het volledige artikel.

De apostrof is een ondergewaardeerd leesteken: je mist ’m pas als hij er niet is. Hij wordt vaak gebruikt om uitspraakproblemen te voorkomen bij meervoudvormen (foto’s, taxi’s), bij bezitsaanduidingen (Anna’s jas, Thomas’ laptop) en bij sommige woorden die je wilt verkleinen: baby’tje, A4’tje.

En de apostrof dient om aan te geven dat er ergens letters of cijfers stonden die we niet uitspreken. Zo stond in de vorige alinea ’m in plaats van hem, heeft iedereen het over ’s ochtends en niet over des ochtends en schrijven de meeste mensen zo’n in plaats van zo een, hoewel ik de laatste vorm weer regelmatig tegenkom in het werk van studenten.

De apostrof bewijst ook goede diensten als je jaartallen wilt bekorten. Bijvoorbeeld als je wilt aangeven dat ons land van ’40 tot ’45 verwikkeld was in de Tweede Wereldoorlog. Of dat je geboren bent in juni ’80. Dat laatste is waarschijnlijk de reden dat de apostrof ook opduikt als je iets wilt vertellen over de jaren tachtig. Maar met de jaren tachtig of jaren 80 duiden we een heel decennium aan, geen jaar. Als je schrijft: de jaren ’80, dan heb je het over de jaren 1980. En dan zie je al snel dat dat niet klopt.

Van de ware taalpurist mag het niet (germanisme!), maar je kunt ook tachtiger jaren zeggen. Dat klinkt een stuk plechtstatiger dan jaren 80. Maar soms is daar helemaal niets mis mee.

En als je een apostrof kwaad wilt maken, noem ’m dan aanhalingsteken. Want hij lijkt er misschien op, maar hij is het beslist niet!

 

Hoe zat het ook alweer? Nog/noch

Winkelketen Blokker huurde een paar jaar geleden de Amerikaanse actrice Sarah Jessica Parker in voor een reclamespot en volgens de baas van Blokker pakte dat vrij slecht uit.

Op weblog Marketingfacts legt een neuromarketingconsultant deze week uit dat dat geen wonder is. In de hersenen van kijkers van de commercial bespeurt hij afkeer en gevaar. De mensen die het idee voor deze commercial hebben doorgezet, waren volgens hem een beetje de weg kwijt. “En zo kan het gebeuren dat er in een collectieve black-out groen licht komt voor de productie van een commercial die kant nog wal raakt”, constateert hij.

De webredacteur die zijn artikel online plaatste moet ook even een kleine black-out gehad hebben toen hij besloot deze zin in het artikel te benadrukken met een zogenoemde streamer.

kant nog wal

Want de correcte uitdrukking luidt: kant noch wal. Nu komt deze vergissing vaker voor, vermoedelijk omdat we veel vertrouwder zijn met het woord ‘nog’ dan met het woord ‘noch’. Daarom is het misschien goed om het verschil nog even te bespreken.

‘Nog’ is een bijwoord dat je op veel verschillende manieren kunt gebruiken. Bijvoorbeeld om herhaling aan te geven (‘Geef mij nog maar een biertje’) of om iets te versterken (‘Heb je nou nóg je huiswerk niet gemaakt?’).

‘Noch’ is een voegwoord met een ontkennende betekenis. ‘Binnert noch Lisette heeft trek in een gebakje’ geeft aan dat ze allebei géén zin hebben in een gebakje. Je kunt ook zeggen: ‘Noch Binnert noch Lisette heeft trek in een gebakje’. Dat is misschien wat duidelijker, omdat de ontkenning dan meteen vooraan staat.

En ja, je kunt natuurlijk ook zeggen: ‘Binnert en Lisette hebben allebei geen trek in een gebakje’. Maar dan raakt het woord ‘noch’ helemaal uit beeld, terwijl het wel voorkomt in diverse vaste uitdrukkingen. Bijvoorbeeld: vlees noch vis zijn, van toeten noch blazen weten of ergens part noch deel aan hebben. Dus laten we ‘noch’ een beetje koesteren, want anders gaan we nog veel vaker fouten van het soort zoals hierboven zien.

Bron: Onze Taal