Selecteer een pagina

Actiepuntje

Afgelopen dagen had ik wat last van stress. De hoeveelheid actiepunten (waaronder een IZOMW-stukje schrijven) was er de oorzaak van. Als ik gestrest ben, wil ik natuurlijk dat het stressen zo snel mogelijk stopt. Ik streste wat af om van de stress af te komen. Wat een gestres!
Maar vannacht kreeg ik een idee: laat ik er mijn stukje over schrijven. Ik was direct relaxed. Ik realiseer me nu dat ik al lang niet meer écht gerelaxt heb, terwijl relaxen op z’n tijd van levensbelang is. Dan ben ik vast ook een relaxtere docent. Afijn, weer een nieuw actiepuntje dus: een relaxed dagje inplannen.

Het werkwoord stressen vervoeg je  – volgens de officiële regels – als volgt: de stam is stress, maar omdat de dubbele s hier niet nodig is voor een correcte uitspraak, vervalt er één s. De stam wordt dus stres. De laatste medeklinker van de stam zit in ’t ex-kofschip (de moderne variant van ‘t kofschip) en daarom vervoeg je met een t: ik streste, ik heb gestrestHet woord gestres is afgeleid van het werkwoord, en schrijf je dus net als de stam met één s.
Relaxed gebruik je als bijwoord of als bijvoeglijk naamwoord als dat onverbogen is. Is het wél verbogen, dan krijg je: relaxte(re). Het werkwoord relaxen heeft als stam relax. De medeklinker x zit in  ’t ex-kofschip. Vervoegen gebeurt dus met een t: ik relaxte, ik heb gerelaxt .

 

Uitdrukking van de dag: zich stierlijk vervelen

Tijdens het voorjaarsreces vorige week heb ik mijn voornemen om eens he-le-maal niets te doen helaas niet kunnen uitvoeren. Een pittige takenlijst en een trits sociale verplichtingen gooiden roet in het eten. Die had ik natuurlijk kunnen uitstellen tot na de vakantie, maar het (calvinistische?) plichtsbesef was sterker dan de zucht naar zalig nietsdoen. Dolce far niente, zoals de Italianen het noemen.

Een van de geplande bezoekjes was een kraamvisite. De jonge moeder was bevallen met een keizersnee, waarvan de datum al weken vaststond. Gelukkig bleek alles voorspoedig verlopen, met een blozende baby als resultaat. Moeders zelf lag er ook blozend bij en voelde zich uitstekend, ze had immers geen slopende horrorbevalling achter de rug en alles was weer netjes dichtgeniet. Het was haar derde keizersnee, dus de nieuwigheid was er  wel af.

Daar lig je dan, alleen in een ziekenhuiskamer met je kleine spruit, die weinig aandacht behoeft en de tijd goeddeels slapend doorbrengt. Veel aanloop had ze niet, want het merendeel van de familie en vrienden stond ergens in de vrieskou op een Franse of Oostenrijkse berg. “Ik wil naar huis, ik verveel me hier stierlijk,” klonk het dan ook uit moeders mond. Ik kon een licht gevoel van jaloezie niet onderdrukken. Niet dat ik graag een blakend babyjongetje op deez’ aard’ had willen zetten, maar dat stierlijk vervelen had me heerlijk geleken. Een volle week he-le-maal niets doen. De luxe!

Je stierlijk vervelen heeft slechts zijdelings met runderen te maken, hoewel die doorgaans geen overvolle agenda hebben en ruim de tijd om chill te liggen herkauwen. ‘Stierlijk’ heeft hier de betekenis van ‘heel erg’, ‘in hoge mate’. De oorsprong ligt in de zeevaart. Zeelieden die de woeste baren missen als ze langer aan wal zijn dan gewoonlijk, gaan zich vervelen. Ze ‘hebben er het land aan’ dat ze nog niet terug naar zee kunnen. Om het kracht bij te zetten werd het later ‘het land hebben als een stier’, verwijzend naar het gevoel dat we stieren toedichten als er geen koeien in de buurt zijn. Wel zo rustig voor die koeien trouwens, kunnen ze zich lekker stierlijk liggen vervelen tijdens het herkauwen.

Hoe zat het ook alweer? Hoe je het went/wendt of keert

“Hoe je het ook went of keert, we komen er voorlopig niet meer vanaf”, las ik onlangs in een artikel van een student. Ik kom de uitdrukking op deze manier vaker tegen, maar het went niet. Want de correcte uitdrukking luidt: hoe je het ook wendt (van het werkwoord wenden) of keert… En vervolgens komt er meestal iets onvermijdelijks. Wenden betekent draaien of keren. Eigenlijk zeg je: van welke kant je het ook bekijkt, hoe je iets ook draait om er op een andere manier tegenaan te kijken.

De fout komt relatief vaak voor, ook in professionele media. Kleine oogst van de afgelopen tijd:

“Hoe je het ook went of keert; niet iedereen in onze regio bezoekt een theater, muziekschool of museum.” (Dagblad van het Noorden)

“Hoe je het went of keert, alles in huis heeft aandacht nodig, al is het maar omdat je het moet afstoffen.” (AD/Groene Hart)

“We blijven samen, hoe je het ook went of keert.” (Metro)

Wat is de reden dat het met deze uitdrukking regelmatig verkeerd gaat? Ik denk dat het komt omdat mensen het werkwoord ‘wennen’ (het went nooit) veel vaker gebruiken dan het wat ouderwetse ‘wenden’. “Hij wendt de steven”, je hoort of leest dat nog zelden. Een kleine Google-speurtocht leerde dat het woord nog wel vaak in klachtenregelingen opduikt: “Leidt dat niet tot een bevredigende oplossing, dan wendt u zich tot de schooldirectie, die uw klacht in behandeling neemt en een beslissing neemt.”

 

Uitdrukking van de dag: Nieuwsgierig Aagje

Tijdens het nakijken van een opdracht voor het vak Tekstschrijven stuitte ik op een spelfout (‘nieuwschierig’) die me op de uitdrukking ‘nieuwsgierig Aagje’ bracht. Zelf nieuwsgierig geworden zocht ik de herkomst ervan op. Blijkt me daar toch een heel (zielig) verhaal achter te zitten. Avontuur! Hoererij! Diefstal! Slutshaming!

Het nieuwsgierig Aagje van Enkhuizen komt als personage voor het eerst voor in het 17e eeuwse kluchtboek De Gaven van de milde St. Marten (doorscrollen naar blz 17). Voor wie het ouderwetse taalgebruik een belemmering is, volgt hier een beknopte versie in hedendaags Nederlands.

Het verhaal speelt zich af tijdens het twaalfjarig bestand (1609-1621) in de Tachtigjarige Oorlog met Spanje. Aagje is een jonge vrouw uit Enkhuizen en getrouwd met een smid. In de buurt woont schipper Freek, die geregeld op Antwerpen vaart. Freek zit vol verhalen en Aagje wil die mooie stad wel eens met eigen ogen aanschouwen. Ze zeurt net zo lang bij haar man (‘lelde de Smit soo langh aen ’t hooft’) tot deze haar belooft dat ze mee mag met de buurman. De smid geeft Aagje honderd gulden, waarmee ze in Antwerpen materialen voor hem moet kopen.

In Antwerpen gaat het natuurlijk helemaal mis. Eenmaal aangemeerd aan de kaai gaat schipper Freek eerst zijn zaken regelen en belooft daarna Aagje rond te leiden door de stad. Het nieuwsgierige wicht kan haar ongeduld echter niet bedwingen en trekt er alleen op uit, in haar beste Enkhuizer goed en met de honderd gulden op zak. Het duurt niet lang of ze wordt aangesproken door een gladde Spaanse Brabander, die haar begroet met ‘nichteken’, de benaming voor hoer.

De naïeve Aagje meent echter dat deze sinjeur familie van haar is (ze had haar moeder horen vertellen over neef Ian van Spanje) en gaat in op zijn uitnodiging haar de stad te laten zien. Dan begint de ellende pas goed. Aagje belandt in een bordeel (‘t slimste hoerhuys’), wordt dronken gevoerd, misbruikt en beroofd van de honderd gulden, haar zilvergoed en mooie Enkhuizer kleren. ‘Neef Ian van Spanje’ gaat er schielijk vandoor en Aagje, nog steeds starnakel en buiten westen, wordt door de hoeren in een ‘bootsgesels kleetje‘ gehesen, krijgt een schippersmutsje opgezet, wordt in een bakermat gelegd en naar buiten gezeuld. Daar is ze het mikpunt van spot van passerende handwerkslieden.

Uiteindelijk ziet de onfortuinlijke Aagje haar buurman Freek langslopen, die haar nauwelijks herkent in die lompen. Eenmaal terug in Enkhuizen wordt het ‘avontuurtje zo veel verduystert als ‘t mogelijck was’, maar in Antwerpen lachen ‘Ian van Spanje’ en zijn confraters nog lang en smakelijk om de lotgevallen van ‘t nieuwsgierige Aagje van Enkhuizen. 

Luister hier naar het oorspronkelijke verhaal (7’30”):

 

Hoe zat het ook alweer? Niet denkbeeldig/ondenkbeeldig

Als je van een behoorlijk eindje hardlopen houdt, kun je je hart ophalen in ons sportminnende land. Amsterdam en Rotterdam hebben beroemde marathons. En zelfs op Terschelling kun je één keer per jaar met een paar honderd anderen 42 kilometer hollen.

Is dat niet genoeg uitdaging? Dan kun je in het buitenland exotische marathons lopen. In het jongste nummer van het tijdschrift Runner’s World staat een reportage over de Eilat Desert International Marathon. Die is niet voor watjes. “De weg is bezaaid met vuistgrote keien, het parcours zakt en stijgt voortdurend. Sommige stenen zijn verankerd in de rotsbodem en bieden grip, anderen schuiven of rollen in de afdaling spontaan een stukje mee. Hardlopen doe je hier met opgetrokken tenen. Dat is vermoeiend, maar het voorkomt dat je in volle vaart tegen een kei aanschopt, wat in een drieste afdaling niet ondenkbeeldig is.”

Opgepast! Nee, niet voor die kei, maar voor die uitdrukking ‘niet ondenkbeeldig’. Die is namelijk niet juist, maar je komt deze constructie vaak tegen. Zo vaak zelfs, dat de Taalunie hier het predicaat ‘onduidelijk‘ aan verleent, wat wil zeggen dat de uitdrukking zo vaak voorkomt dat we die misschien goed moeten rekenen.

Hoe zit het? Correct is ‘niet denkbeeldig’ als we willen zeggen dat er een reële kans is dat iets gebeurt. Dat je tegen een kei aanschopt is geen denkbeeld, maar het kan daadwerkelijk plaatsvinden.

Waarom kom je dan toch vaak de term ‘niet ondenkbeeldig’ tegen? Dat komt waarschijnlijk door het woord ‘ondenkbaar’, dat er sterk op lijkt. En we hebben de bijbehorende uitdrukking ‘niet ondenkbaar’. Als iets niet denkbeeldig is, is het niet ondenkbaar. En als je even niet oplet, noem je het vervolgens ‘niet ondenkbeeldig’. Waarmee je eigenlijk zegt dat iets niet waarschijnlijk is, terwijl je vermoedelijk het tegenovergestelde bedoelt. “Uit de context blijkt gewoonlijk wat er bedoeld is, maar omdat er letterlijk genomen het tegenovergestelde staat, is dit gebruik voor sommige taalgebruikers niet aanvaardbaar”, aldus de Taalunie.

 

Hoe zat het ook alweer: perse, persé of per se?

Twee dagen geleden mailde een student dat hij ‘perse’ in een andere klas wilde. Zelf schreef ik gisteren een collega dat ik het niet ‘per se’ met zijn voorstel eens was. Een uur geleden sms’te een vriendin die ik nog nooit op een taalfout heb betrapt: ‘Familie-alarm, moet je persé spreken!’

Perse, persé of per se, that’s the question. De officiële schrijfwijze is ‘per se’; dat we tegenwoordig vaak ‘persé’ tegenkomen heeft te maken met het vernederlandsen van de Latijnse vorm: voor de uitspraak zet men een accent op de e. Dit zie je trouwens vaker: mensen hebben acné in plaats van acne en dat vinden ze geen pré…

Dat mensen denken dat het ‘persé’ is, begrijp ik wel. Volgens Onze taal staat de deur voor deze schrijfwijze zelfs op een kier. Maar ‘perse’? Dat lijkt me de aanvoegende wijs van het werkwoord ‘persen’ en per se niet wat de student in die klas wil.