Selecteer een pagina

Schamper kapittelen

Wij van Ikzegookmaarwat mochten de afgelopen maanden gastcolumns verzorgen op de website HvanA.nl. Dit ter gelegenheid van ons vijfjarig bestaan. Uiteraard kweten wij ons met plezier van deze eervolle taak. Leuk om over taal te schrijven voor een site die zich richt op studenten en medewerkers van de Hogeschool van Amsterdam.

Op de bijdrage die ik instuurde, reageerde de eindredacteur van HvanA enthousiast. Maar er was wel een klein probleempje. In mijn column  kwamen de woorden ‘schamper‘ en ‘kapittelen‘ voor. “Echte parels natuurlijk, maar we vrezen dat niet iedereen binnen onze doelgroep deze woorden begrijpt. Ik heb het daarom aangepast naar ‘spottend’ en ‘veroordelen'”, aldus de eindredacteur.

Tja. Als ik ergens te gast ben, schik ik mij vrij snel naar de mores van de gastheer en gastvrouw. Dus ik antwoordde luchtig dat ik dat geen probleem vond. Maar toch, het knaagde wel een beetje.

Want met ‘onze doelgroep’ doelde de eindredacteur natuurlijk vooral op de studenten. En ik kan me zeker voorstellen dat veel tieners en twintigers de woorden ‘schamper’ en ‘kapittelen’ niet kennen. Maar houdt dat dan in dat je die woorden ook niet moet gebruiken?

Ik hoor van best veel studenten dat ze graag hun woordenschat willen uitbreiden, dat ze makkelijker en beter willen formuleren. Dat gaat niet vanzelf uiteraard. Je moet nieuwsgierig zijn naar jou onbekende woorden en uitdrukkingen. Er moeite voor doen om de betekenis en het gebruik ervan te achterhalen.

Natuurlijk, ik weet ook wel dat lang niet iedereen die moeite neemt. Maar als je überhaupt niet in aanraking komt met jou onbekende woorden en uitdrukkingen, dan ontwikkel je die nieuwsgierigheid zéker niet. Dus: eer het onbekende woord!

 

Woord van de dag: billig

Mijn grootste nachtmerrie: als studenten vinden dat ik stink. Of dat ik (per ongeluk) een paar keer achter elkaar dezelfde outfit draag en wordt gebombardeerd als ‘die docent met die trui’. Maar toch vind ik stinken het allerergst. Een zweetlucht, zure adem, algehele muffige malaise: ik weiger ervoor te tekenen.

Collega H. heeft daar een goede oplossing voor: voorafgaand aan élke les spuit hij een grote dosis Axe onder zijn oksels die de gehele dag in een walm om hem heen blijft hangen. Hij is uiteraard verkozen tot Docent van het jaar.

Ik zocht naar een ietwat subtieler luchtje, waarop collega C. me wees op een parfumflesje dat ze voor dit soort gelegenheden in haar kastje bewaar. ‘Het is wel echt een billig parfum’, merkte ze op.

Billig is een plaats in de 464 inwoners tellende Duitse gemeente Euskirchen, maar is ook ‘slang’ voor kut, slecht, dom en fout. In het Deens en Noors betekent ‘billig’ trouwens goedkoop. Nu heeft collega C. – naar mijn weten – geen Scandinavische roots, maar woont ze wel in Amstelveen, dus zal daar vast de nodige slang hebben opgepikt.

En ik die middag rook naar een eclectische mix van wc-verfrisser, zure matten en patchoeli – heel billig dus.

 

Begroeting

Gesignaleerd op station Haarlem, vanochtend 7.45 uur:

Twee mannen van begin twintig komen elkaar tegen en begroeten elkaar als volgt:

 

‘Gozer.’

‘Jonguh.’

 

Een variant die ik ook vaak hoor, is de begroeting met de naam:

 

‘Lars.’

‘Robert.’

 

Mooi vind ik dat, zo’n efficiënte begroeting. Zelf gebruik ik er meer woorden voor. Er wordt vaak beweerd dat mannen veel minder praten dan vrouwen. Dit  lijkt niet het geval te zijn, zoals de Volkskrant een paar jaar geleden uitzocht. Wel lijken mannen en vrouwen andere woorden te gebruiken en een andere spreekstijl te hebben, blijkt uit onderzoek van taalwetenschapster Karen Keune.

Zouden de groetende mannen van het station later op de dag de schade weer inhalen?

 

Woord van de dag: belschuw

De generatie van onze studenten is vergroeid met hun telefoon. Ze zijn altijd online, swipen, klikken, tikken. Ze kijken series, daten, appen. Ze gebruiken hun telefoon als klok, camera, pinpas. Het enige waar ze hun telefoon eigenlijk niet voor gebruiken, is bellen.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat veel studenten op hun stage grote moeite hebben met bellen. Sommige hebben zelfs regelrechte belangst. Ze vinden het niet alleen moeilijk om iemand zomaar op te bellen, maar weten vaak ook niet zo goed hoe je een zakelijk gesprek voert. Logisch. En lastig omdat je op vrijwel elke stage veel moet telefoneren.

In het stageverslag dat studenten na de stage inleveren, schrijven ze vaak dat ze – zelfs bij de meest fantastische stage – het meest geleerd hebben van het bellen. Vandaag las ik: “Ik was in het begin (net zoals bijna alle millennials) een beetje belschuw.” Prachtig woord. Gelukkig kwam het ook bij deze student in de loop van haar stage helemaal goed.

Nu nog een nieuw woord voor mobiele telefoon. Want is het eigenlijk niet gek dat het nog steeds telefoon heet als je er toch niet mee belt?

 

“Bewaker”

En ja hoor: daar kom ik het foutief gebruikte woord “bewaker” in het “echt” tegen. En wel op de site van onze eigen NOS. Het artikel gaat over het relletje van de Nijmeegse clubs en cafés waar op verschillende heren-wc’s camera’s zijn ontdekt. De NOS parafraseert een medewerker van een discotheek die zegt dat de camera’s dienen voor “de bewaker”.

Er ging toen direct een belletje rinkelen bij mij aangezien de studenten van mijn schrijfklasjes dol zijn op het woord “bewaker”. Het stikt er van in cafés en discotheken, van die “bewakers”.

Als ik denk aan een “bewaker”, zie ik iemand met een geweer in zijn handen die een gevangenis bewaakt, of een kazerne. Een cipier is ook een bewaker. Iemand met een gezellige rammelende sleutelbos. Maar discotheken en cafés worden doorgaans niet bewaakt (behalve uiteraard in landen waar de kans op terroristische aanslagen wat groter is dan normaal).

Waarom dan toch die liefde voor het gebruik van het woord “bewaker”? Ik vermoed omdat er geen mooi woord is dat de lading beter dekt. “Iemand van de beveiliging”, zou kunnen, maar dat is dus niet een woord. Of “beveiliger” sec, maar dat woord associeer ik ook meer met iemand die de strategie bepaalt voor de beveiliging van een gevoelig militair object, of iemand die een politicus beveiligt omdat die wordt bedreigd.

“Beveiligingsmedewerker” klinkt weer te soft, “uitsmijter” is  te lomp. In de jaren tachtig, toen had je pas uitsmijters, stevige kerels met kale koppen die zich erop verheugden om iemand de tent uit te kunnen slaan en die tamelijk intimiderend hun fooi opeisten: “We zijn toch niet de portier vergeten?” Maar “bewaker” klopt al helemaal niet. Want bezoekers van een café hoeven niet “bewaakt” te worden.

Net zo merkwaardig, maar dan van een geheel andere orde, is het gebruik van het woord “richting”. Studenten schrijven zinnen als: “Hij liep ‘richting’ zijn kamer.” Of: “Hij fietste ‘richting’ zijn huis.” Het woord “naar” lijkt bij sommigen volledig uit het vocabulaire verdwenen.
Ik geef dan altijd als commentaar dat je “richting het noorden” loopt, als je bij voorbeeld net uit een gecrasht vliegtuig bent gekropen en je ongeveer weet waar de bewoonde wereld is. “Richting” is niet helemaal helder, “naar” is doelgericht. Je kunt “richting” je hotel lopen als je bij voorbeeld ’s nachts stomdronken door een vreemde stad dwaalt en je ergens met je zatte hoofd een vermoeden hebt van waar je hotel zich bevindt.
Waarom studenten “richting” gebruiken in plaats van het toch tamelijk voor de hand liggende “naar”? Geen idee.