Selecteer een pagina

Je kop stoten op Teletekst

Ik ben een middelbare lul die elke dag een paar keer het nieuws op Teletekst checkt. In de meeste buurlanden is dat (Ceefax) allang afgeschaft, maar het journalistieke establishment in Nederland zweert er bij. Op alle nieuwsredacties waar ik heb gewerkt, staat het tv-scherm de hele dag op 101. Teletekst is een ordening: wat is er juist nu (nu, nu, nu, nnn…) het belangrijkste nieuws?

Teletekst 101 (nieuws) of 801 (voetbal) zijn overzichtspagina’s met maximaal negen berichten onder elkaar. Ieder bericht is een kop van maximaal 33 tekens, inclusief spaties, met een paginanummer erachter. In zo’n kop kun je gemiddeld vier woorden kwijt. Dat is niet veel als je iets moet schrijven over stikstofbeleid, de 1,5 meter-samenleving of het Songfestival. Hoe krijg je dat allemaal passend als die kop ook nog enig nieuws moet bevatten?

Veel TT-koppen zijn prima maar soms zie je de makers nogal vet op hun bek gaan. Mijn geheime hobby is het verzamelen van TT-koppen die niet kloppen. Kijkt u even mee?

Gevangenis in lockdown om uitbraak. 112

Hebben ze nu allemaal corona door een ontsnapping? Nee, de gevangenen moeten binnen blijven (niet ongewoon in de cel) vanwege corona.

Toename in China neemt opnieuw af. 125

Dit lijkt een soort wederkeerspreekwoord van kunstenaar Wei Wei, maar dat is het niet. Waar het over gaat weten we niet, maar het wordt er niet beter op in China.

Kans op aanslagen blijft bestaan. 126

Niet geruststellend, maar altijd nuttig om te weten.

Bijna 400 dode varkens verhongerd. 106

Eh…

Geen seks vaak schuld van partner 104

Klinkt logisch.

De mooiste koppen worden trouwens vaak in Britse kranten gebracht: een volgende keer zal ik er een paar opdissen uit The Sun – die kunnen er wat van. Vanwege de machtswisseling in Amerika deze week dan nog eentje om het af te leren, uit The Guardian. Drie keer raden over wie dit gaat:

From Camelot to comb a lot

AAAAAAAAARG! Waarom is Nederlands soms zo moeilijk?

Mijn elfjarige buurmeisje leert Nederlands als tweede taal en omdat ik weinig zo leuk vind als taalles geven, help ik haar een beetje. Sinds een halfjaar werk ik elke week een uurtje met haar volgens een zelfbedacht ‘lesplan’: we lezen om beurten een stuk voor uit een boek naar (haar) keuze. Daarna laat ik haar een stukje schrijven, een korte samenvatting van wat we zojuist hebben gelezen. Soms werken we aan een schoolopdracht, bijvoorbeeld nieuwsbegrip of een spreekbeurt. En dan geef ik haar ook nog wat huiswerk mee: voor de volgende keer een paar hoofdstukken verder lezen en die hoofdstukken ook weer samenvatten.

Momenteel lezen we Harry Potter en de Steen der Wijzen. Mijn buurmeisje is er enorm enthousiast over en leest er met glanzende ogen uit voor. Vaak leest ze thuis wat verder vooruit, omdat ze het zo spannend vindt. Een grote hit dus, waar wat mij betreft één nadeel aan zit: de Nederlandse vertaling van de Harry Potter-boeken is prachtig, maar staat wel ramvol met uitdrukkingen.

Deze week begonnen we de les zoals altijd met het  doorlezen van haar samenvatting. Mijn pupil had erg haar best gedaan en prachtige lange zinnen gemaakt. Ik stokte even toen ik las: ‘Draco ging weg en Muil pakte zijn benen’. Toen ik haar vragend aankeek, zei ze wat bedeesd: ‘Ja, hier begreep ik niet zo goed wat er gebeurde.’ ‘Ik weet het ook niet’, zei ik, ‘laten we maar even kijken wat er in het boek staat’. We bladerden naar de bewuste passage: Harry loopt ’s nachts door het Verboden Bos, samen met zijn aartsvijand Draco en de hond Muil. En alsof dat nog niet erg genoeg is, duikt er ook nog een griezelige gedaante op uit het struikgewas.

AAAAAAAAARG! Malfidus slaakte een vreselijke kreet en nam de benen – net als Muil.

Ze zat er zo dichtbij – ja, Draco ging weg, maar wat was er nou met die benen …?

In hetzelfde hoofdstuk kwamen we vervolgens ook tegen: ‘iemand in de luren leggen’, ‘een fluitje van een cent’ en ‘hij gaf geen krimp’. Toen stelde ze mij ook nog de gevreesde vraag: ‘Hoe weet je eigenlijk wanneer het de of het is?’, en nu kan ik het stiekem alleen maar met mijn buurmeisje eens zijn: wat is Nederlands soms toch móéilijk.

 

IJsberen, mollen en spinnen

Ik maakte een afspraak met collega Suzanne voor een overlegje. De vraag is dan tegenwoordig: bellen of via Teams?

Suzanne was daar vrij uitgesproken over: “Bellen, want dan kan ik ijsberen!”. Een wijs besluit, dat ik sindsdien ook vaker neem. Voor je het weet zit je de hele dag alleen maar naar een scherm te kijken en ertegen te praten.

IJsberen betekent: rusteloos heen en weer lopen. Zoals ijsberen in kooien in dierentuinen doen. Volgens een artikel in het blad Onze Taal (te lezen op de Etymologiebank) is het Nederlands de enige taal waarin dit gedrag van ijsberen tot werkwoord is verheven. In het Duits is het bijvoorbeeld ‘herumtigern’, want ook tijgers in gevangenschap vertonen dat gedrag.

Het bracht me op de vraag hoeveel ‘dierenwerkwoorden’ er zijn. Spontaan kwam ik op mollen, spinnen, vliegen, tijgeren en mieren, maar bij enig speurwerk op internet bleek de collectie nog veel uitgebreider. En hadden creatieve twitterende taalliefhebbers er zelfs een naam voor bedacht: zoöniemen.

Sterker nog, er was zelfs al een subcategorie benoemd, de manlijke zoöniemen met testosteroncomponent: hengsten, stieren, rammen en bokken.

Daarnaast is er nog een onderscheid mogelijk in werkwoorden die wel en die niet zijn afgeleid van eigenschappen van dieren. Kauwen heeft bijvoorbeeld niks met de betreffende vogel te maken, maar tijgeren wel met de beweging van een tijger.

Zo leuk kan taal zijn!

Ik pleit er overigens voor om nog een subcategorie te onderscheiden: de werkwoorden die precies overeenkomen met de meervoudsvorm van het zelfstandig naamwoord. Ezelen, tijgeren en hamsteren zijn fraaie woorden, maar je hebt het over twee ezels, drie tijgers en vier hamsters. Kraaien, mollen, ijsberen, spinnen, zwijnen en mieren, om er een paar te noemen, hebben daarentegen de mooie eigenschap dat ze zowel een werkwoord als een meervoudsvorm aanduiden.

Ik ga stuk

Waar de mogelijkheid zich voordoet, probeer ik als docent om sommige onderdelen van de oldschool fysieke lesetiquette om te vormen tot een digitale variant. Ik ben zelf namelijk niet per se voorstander van strijkende of wasopvouwende studenten in mijn werkcollege; niet fysiek, maar ook niet digitaal (ja, dit is écht gebeurd). Ook vind ik een kleine ‘hoi’ bij binnenkomst en een gezellige ‘doei’ bij het afscheid wel zo fijn.

Tijdens mijn allereerste online les vroeg ik of mijn studenten even ‘ha ha’ wilden typen zodra ze iets grappig vonden. Ik vroeg dat om het ijs te breken, maar ook omdat ik daadwerkelijk wilde weten of mijn informatie aankwam. Zo ook mijn grappen. Mijn beste fysieke lessen waren altijd die waarin er genoeg uitwisseling was van echte oe’s, a’s en ha ha’s. De ha ha’s bleven ditmaal uit, maar daarentegen zag ik wel een paar keer het bijzondere ‘ik ga stuk’ in de chatbox voorbijkomen. 

Volgens mister van Dale himself betekent stukgaan: 1 kapotgaan of breken of 2 (sport) totaal uitgeput raken: na drie rondjes ging ik helemaal stuk. Beide definities waren in mijn virtual classroom waarschijnlijk niet van toepassing. Tenzij er een gebroken been in het spel was of de student in kwestie net met klotsende oksels na een heftige morningworkout achter haar laptop was geploft voor mijn werkcollege. 

In het straatwoordenboek staat stukgaan omschreven als ‘erg lachen om iets’. Dat is hoogstwaarschijnlijk de versie van mijn studenten. Een versie waarbij het opletten geblazen is, omdat hij net zo werkt als de welbekende ‘ha ha’. Je kunt ‘m inzetten wanneer je écht aan het lachen bent of wanneer je iemand wilt laten weten dat je iets grappig vindt, zonder echt te lachen. 

Ik gok dat mijn publiek mij gewoon liet weten de grappen wel oké te vinden, zonder daadwerkelijk te lachen. Ik vroeg er tenslotte naar. En daar is potverdikkie niets mis mee. Laten we vaker stukgaan en dat vooral ook vaker benoemen, in welke versie dan ook. Stukgaan is namelijk best wel leuk, ha ha.

Bunzig

Eerlijk gezegd ben ik niet zo van de praatjes met mij onbekende medemensen. Maar toen ik tijdens een weekeindje in het Groene Hart in de rij stond om een winkel in te mogen (wegens corona en de beperkte afmetingen kon er maar één iemand per keer naar binnen), raakte ik toch in gesprek met een oudere dame. Over corona natuurlijk. Zelf was ze reuze voorzichtig, vertelde ze, want ze was ‘best bunzig’ voor besmetting. Mijn taalliefhebbend hart maakte een sprongetje. Bunzig! Nog nooit van gehoord, maar het moest vast iets als ‘bang’ betekenen. En inderdaad, las ik later op etymologiebank.nl. Bunzig is streektaal en werd voor het eerst in 1838 in een woordenboek opgetekend. Het woord is afgeleid van bunzing – dat roofdiertje dat verwant is aan de wezel. Juist: dat andere bange diertje. Zo’n bunzing schijnt trouwens een extreem stinkend goedje af te scheiden als-ie bunzig is. Maar dat is een heel ander verhaal.