Selecteer een pagina

Begroeting

Gesignaleerd op station Haarlem, vanochtend 7.45 uur:

Twee mannen van begin twintig komen elkaar tegen en begroeten elkaar als volgt:

 

‘Gozer.’

‘Jonguh.’

 

Een variant die ik ook vaak hoor, is de begroeting met de naam:

 

‘Lars.’

‘Robert.’

 

Mooi vind ik dat, zo’n efficiënte begroeting. Zelf gebruik ik er meer woorden voor. Er wordt vaak beweerd dat mannen veel minder praten dan vrouwen. Dit  lijkt niet het geval te zijn, zoals de Volkskrant een paar jaar geleden uitzocht. Wel lijken mannen en vrouwen andere woorden te gebruiken en een andere spreekstijl te hebben, blijkt uit onderzoek van taalwetenschapster Karen Keune.

Zouden de groetende mannen van het station later op de dag de schade weer inhalen?

 

Woord van de dag: belschuw

De generatie van onze studenten is vergroeid met hun telefoon. Ze zijn altijd online, swipen, klikken, tikken. Ze kijken series, daten, appen. Ze gebruiken hun telefoon als klok, camera, pinpas. Het enige waar ze hun telefoon eigenlijk niet voor gebruiken, is bellen.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat veel studenten op hun stage grote moeite hebben met bellen. Sommige hebben zelfs regelrechte belangst. Ze vinden het niet alleen moeilijk om iemand zomaar op te bellen, maar weten vaak ook niet zo goed hoe je een zakelijk gesprek voert. Logisch. En lastig omdat je op vrijwel elke stage veel moet telefoneren.

In het stageverslag dat studenten na de stage inleveren, schrijven ze vaak dat ze – zelfs bij de meest fantastische stage – het meest geleerd hebben van het bellen. Vandaag las ik: “Ik was in het begin (net zoals bijna alle millennials) een beetje belschuw.” Prachtig woord. Gelukkig kwam het ook bij deze student in de loop van haar stage helemaal goed.

Nu nog een nieuw woord voor mobiele telefoon. Want is het eigenlijk niet gek dat het nog steeds telefoon heet als je er toch niet mee belt?

 

“Bewaker”

En ja hoor: daar kom ik het foutief gebruikte woord “bewaker” in het “echt” tegen. En wel op de site van onze eigen NOS. Het artikel gaat over het relletje van de Nijmeegse clubs en cafés waar op verschillende heren-wc’s camera’s zijn ontdekt. De NOS parafraseert een medewerker van een discotheek die zegt dat de camera’s dienen voor “de bewaker”.

Er ging toen direct een belletje rinkelen bij mij aangezien de studenten van mijn schrijfklasjes dol zijn op het woord “bewaker”. Het stikt er van in cafés en discotheken, van die “bewakers”.

Als ik denk aan een “bewaker”, zie ik iemand met een geweer in zijn handen die een gevangenis bewaakt, of een kazerne. Een cipier is ook een bewaker. Iemand met een gezellige rammelende sleutelbos. Maar discotheken en cafés worden doorgaans niet bewaakt (behalve uiteraard in landen waar de kans op terroristische aanslagen wat groter is dan normaal).

Waarom dan toch die liefde voor het gebruik van het woord “bewaker”? Ik vermoed omdat er geen mooi woord is dat de lading beter dekt. “Iemand van de beveiliging”, zou kunnen, maar dat is dus niet een woord. Of “beveiliger” sec, maar dat woord associeer ik ook meer met iemand die de strategie bepaalt voor de beveiliging van een gevoelig militair object, of iemand die een politicus beveiligt omdat die wordt bedreigd.

“Beveiligingsmedewerker” klinkt weer te soft, “uitsmijter” is  te lomp. In de jaren tachtig, toen had je pas uitsmijters, stevige kerels met kale koppen die zich erop verheugden om iemand de tent uit te kunnen slaan en die tamelijk intimiderend hun fooi opeisten: “We zijn toch niet de portier vergeten?” Maar “bewaker” klopt al helemaal niet. Want bezoekers van een café hoeven niet “bewaakt” te worden.

Net zo merkwaardig, maar dan van een geheel andere orde, is het gebruik van het woord “richting”. Studenten schrijven zinnen als: “Hij liep ‘richting’ zijn kamer.” Of: “Hij fietste ‘richting’ zijn huis.” Het woord “naar” lijkt bij sommigen volledig uit het vocabulaire verdwenen.
Ik geef dan altijd als commentaar dat je “richting het noorden” loopt, als je bij voorbeeld net uit een gecrasht vliegtuig bent gekropen en je ongeveer weet waar de bewoonde wereld is. “Richting” is niet helemaal helder, “naar” is doelgericht. Je kunt “richting” je hotel lopen als je bij voorbeeld ’s nachts stomdronken door een vreemde stad dwaalt en je ergens met je zatte hoofd een vermoeden hebt van waar je hotel zich bevindt.
Waarom studenten “richting” gebruiken in plaats van het toch tamelijk voor de hand liggende “naar”? Geen idee.

Bijzondere woorden

Je komt nogal eens wat bijzonderheden tegen in het schrijfwerk van studenten. Laatst nog, refereerde een tweedejaars in haar artikel aan de revolutietheorie. Voor een afstudeerder was dat ene onderzoek een echte blikopener geweest. En in een interview van een propedeusestudent had de hoofdpersoon innerlijk samengewerkt met zijn neef.

We lachen wat af op de docentenkamer. Maar ik moet toegeven dat ik er zelf vroeger ook wat van kon. Ik ben namelijk als puber best lang indolent geweest van Stevie Wonder. Mijn vroege culinaire creaties waren vaak een moesmengseltje van vreemde ingrediënten. En als iemand schoot, dan deed hij dat niet met losse flodders, maar met minutie.

Ik maak me sterk dat izomw-bezoekers ook wel wat leuks op te biechten hebben. Dus: kom maar door in de reacties!

Verneukend

De Leidse hoogleraar Remco Breuker nam onlangs deel aan een rondetafelgesprek met leden van de Tweede Kamer. Het thema was verscheidenheid in de wetenschap. Een van de discussiepunten: kun je als wetenschapper nog onderzoek doen naar gevoelige thema’s zonder gedoe te krijgen? Volgens Breuker kan een onderzoeker die een gevoelige snaar raakt, problemen krijgen met vervolgfinanciering.

“Dat is verneukend voor diversiteit van het onderzoek en impact ervan”, aldus Breuker. Althans, dat stond in een verslag op DUB, de nieuws- en opiniesite van de Universiteit Utrecht. Maar Breuker kon zich niet herinneren dat woord ‘verneukend’ te hebben gebruikt, zo meldde hij op Twitter.

Het persbureau dat verantwoordelijk was voor het verslag ging op onderzoek uit. En inderdaad, Breuker had iets anders gezegd…

 

Een gruwelijke vondst

Als voormalig eindredacteur snel ik nog altijd koppen. In tijdschriften, kranten, portfolio’s. Heerlijk vind ik dat. Een goede woordspeling (of juist een heel slechte), een adequate samenvatting, een kwinkslag, iets spitsvondigs  – daarvan gaat mijn hart sneller kloppen. Ook leuk – zeker als lesmateriaal voor het vak Snijden en schaven waarin wij studenten de kneepjes van het eindredactievak leren – is het als de kop voor tweeërlei uitleg vatbaar is terwijl dat niet de bedoeling kan zijn. Zoals vandaag op de website van Het Parool:

Woordenboekspel 22 april 2019

Het Ikzegookmaarwat-Woordenboekspel!

Wat is de betekenis van het woord kornak?

 

Hannes Minnaar

Ik liep vorige week langs onderstaande abri waarop een pianoconcert werd aangekondigd. Maar ik las het met een half oog en dacht dat het een reclame betrof voor een nieuwe roman.

Zeg nou zelf, Hannes Minnaar, dat is toch een geweldige naam voor een boektitel?

Je ziet de flaptekst al voor je:

‘Hannes Minnaar is een meeslepende en meesterlijk gecomponeerde roman, waarin de koele zakenvrouw Hanne in een duivels ménage à trois verstrikt raakt en evenals haar ziekelijke echtgenoot Charles valt voor de charmes van de inwonende conservatoriumstudent Hector, getalenteerd pianist, ongemeen ambitieus en met een duistere kant die gaandeweg de overhand krijgt.’

‘Een adembenemend en donker liefdesverhaal, dat crescendo afstevent op de onvermijdelijke dramatische climax.’ Marie-Cécile van Dunk, Algemene Courant.

‘Stomende seks op de Steinway. Lekker.’ Hein Geuzenwoud, de Gazet van Gorinchem.

Mijn initiële verwarring over de naam Hannes Minnaar komt door het ontbreken van een apostrof. Studenten hebben vaak moeite met de apostrof en de bezits-s. Ze schrijven ‘Hanne’s minnaar’ of vermijden het liever en zeggen ‘Hanne haar / Hannes zijn minnaar’.

De hoofdregel is dat de bezits-s aan de naam vast wordt geschreven. Betreft het de geliefde van een vrouw genaamd Hanne, dan schrijf je Hannes minnaar. Gaat het om een amourette van de jongeman Hannes, dan is het Hannes’ minnaar. Woorden die op een sisklank eindigen krijgen namelijk een apostrof om duidelijk te maken dat sprake is van een bezitsvorm. Die sisklank is trouwens rekbaar, ook de z en de x vallen eronder: Inez’ jurk, Alex’ sokken. En verder lettercombinaties die als s, sj, tsj, zj of dzj worden uitgesproken: Bush’ vader, Barentsz’ pooltocht.

Uitspraak speelt ook een rol bij het gebruik van de apostrof. Eindigt een naam op een lange (vrije) klinker, dan is er een apostrof nodig om verkeerde uitspraak te voorkomen: Mia’s geheim, Oma’s recept, Emmy’s viool. Dat geldt niet voor de é, dan kan de apostrof achterwege blijven: Andrés kostuum, Aimées afscheid.

Terug naar Hannes Minnaar. De Zeeuwse pianist debuteerde afgelopen zondag met een recital in de Grote Zaal van het Concertgebouw in Amsterdam. Het was vast Hannes’ droomdebuut.

 

 

Over een reepgast en een teringlijdertje

Ons taalblog Ikzegookmaarwat bestaat vijf jaar en daar zijn we trots op. We vierden ons lustrum met de bloggers op een avond met veel spijs en drank. En omdat we allemaal taalfanaten zijn, deden we ook het woordenboekspel. Hier op Izomw kennen we natuurlijk de online versie van Paul van der Bijl. De offline versie is bijna nog leuker en staat garant voor een dolle avond.

Het is een spel voor 4 tot 10 personen en het gaat zo: deelnemer 1 zoekt in het woordenboek een woord op dat hij niet kent. Hij checkt of de anderen het woord ook niet kennen. Als dat zo is, schrijft deelnemer 1 de correcte definitie op een briefje. De andere deelnemers verzinnen een definitie en schrijven die op. Vervolgens leest deelnemer 1 alle definities voor. Wie de juiste definitie raadt, krijgt 10 punten. Maar als anderen denken dat de definitie die jij verzon correct is, krijg je per deelnemer ook 10 punten. Raadt niemand de juiste definitie? Dan krijgt deelnemer 1 10 punten.

De drie mooiste woorden van onze lustrumviering? Zonder twijfel leknamad, teringlijdertje en reepgast.

 

 

 

‘Ik erger me hieraan.’ ‘Want?’

Een scherp afgesteld taalgevoel is vaak een bron van vreugde. Zo kan ik oprecht plezier beleven aan het bedenken van ambigue zinnetjes waarin een enkele ‘t’ het verschil maakt (‘Wat houd je tegen?’ versus ‘Wat houdt je tegen?’, dat werk). Maar soms heb je er meer last dan lol van: je ergert je ook vlugger. Ik vind mijn eigen taalergernissen vaak terecht, vooral als ze breed gedeeld worden. Toch zijn er ook taalhaatjes die ik zelf ook wat overdreven vind.

Zo geef ik grif toe dat ik vrij giftig reageer op de volgende gesprekssituatie:

Spreker 1: ‘Dit of dat is zo en zo.’
Spreker 2: ‘Want?’

Spreker 2 heeft het meteen bij mij verbruid met dat keffende ‘Want?’. Je hoort dit vaak in interviews of gewoon in gesprekken, maar je leest het ook geregeld. Het gebruik van ‘Want?’ wordt in dit artikel zelfs aanbevolen als ‘oplosmiddel tegen vaagtaal’.

Mijn ergernis zit deels in dat snauwerige effect van een los woord roepen en dan alweer klaar willen zijn met je verzoek om verduidelijking. Die houding van: ‘Het is lekker kort en je weet toch wat ik bedoel?’ Maar dat is niet alles, want ‘Waarom?’ vind ik al veel minder erg en dat is ook maar één woord.

Nee, het stoort me vooral dat de ‘Want?’-blaffer eist dat ik zijn of haar beginnetje van een zin afmaak. Dat ik als een gehoorzaam kind ga aanvullen wat hij of zij van mij wil horen. Het doet me denken aan een pedagogisch sturende volwassene die zegt: ‘En na het eten gaan we …?’, in de hoop dat de dreumes dan blijmoedig roept: ‘… tandjes poetsennnn!’. Deze hele gang van zaken maakt mij opstandig. Moet ik nu jouw luie eenwoords-voorzetje in gaan koppen? Moet ik mijn tekst nu gaan vormgeven zoals jij dat handig vindt? Ik wil niet in jouw kader kakelen!

En deze hele gedachtenriedel gaat dus achter elkaar door mijn hoofd als ik dat ene woordje ‘Want?’ tegenkom. Ja, taalgevoel is een gave, maar je zit er maar mooi mee.